ECLI:NL:PHR:1996:AA1815
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid advocaatkosten bij belastingfraude en toerekening aan inkomsten- en omzetbelasting
In deze zaak stond de vraag centraal of de advocaatkosten die belanghebbende maakte in verband met een strafrechtelijke veroordeling wegens ontduiking van inkomsten- en omzetbelasting in 1989 als bedrijfskosten aftrekbaar waren en hoe deze kosten toegerekend moesten worden aan de verschillende belastingsoorten.
De staatssecretaris van Financiën stelde dat alleen het deel van de advocaatkosten dat betrekking had op de omzetbelasting als bedrijfskosten kon worden afgetrokken, en dat het deel dat samenhing met de inkomstenbelasting niet aftrekbaar was. Belanghebbende stelde daarentegen dat de kosten gelijkelijk verdeeld moesten worden over beide belastingsoorten.
Het gerechtshof had het geschil ten gunste van belanghebbende beslecht, waarbij werd geoordeeld dat een redelijke verdeelsleutel moest worden toegepast. De Hoge Raad bevestigde dat de toerekening van kosten met een tweeledige oorzaak naar evenredigheid dient plaats te vinden, waarbij het aandeel van de ontdoken belastingen in het totaal als uitgangspunt wordt genomen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de staatssecretaris en oordeelde dat de advocaatkosten als bedrijfskosten aftrekbaar zijn voor zover zij verband houden met de onderneming en dat een redelijke toerekening vereist is.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen en de advocaatkosten worden als bedrijfskosten aftrekbaar geacht met een redelijke toerekening tussen inkomstenbelasting en omzetbelasting.