ECLI:NL:PHR:1996:AD2480

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
3413 Besch
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 SvArt. 119 lid 2 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste belangenafweging bij teruggave inbeslaggenomen auto

In deze zaak gaat het om een beklag van een derde tegen de teruggave van een inbeslaggenomen auto door het openbaar ministerie aan een andere partij dan de beslagene, zonder toepassing van art. 118 lid 3 Sv Pro. De rechtbank had het beklag gegrond verklaard en de teruggave aan de beslagene gelast.

De Hoge Raad oordeelt dat het openbaar ministerie niet bevoegd was de auto aan een derde terug te geven zonder de juiste procedure te volgen. Het beklag moet worden gezien als een rechtsmiddel tegen het voornemen van de OvJ om het voorwerp aan een ander dan de beslagene terug te geven.

De rechtbank heeft echter niet de juiste maatstaf gehanteerd door onvoldoende rekening te houden met de belangen van de derde, die de auto als eigenaar had opgegeven bij een diefstal. Er had een belangenafweging moeten plaatsvinden op grond van art. 118 lid 3 Sv Pro. Door dit te nalaten is de beschikking niet in stand te houden.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug aan de rechtbank, die de partijen moet horen en opnieuw moet beslissen met inachtneming van de juiste wettelijke normen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug aan de rechtbank voor hernieuwde beoordeling met juiste belangenafweging.

Conclusie

Nr. 3413 Rek.
Mr. Meiiers
Parket, - 7 DEC. 1995
Conclusie inzake: OM/[klager]
Edelhoogachtbaar College,
De officier van justitie te Amsterdam komt met één middel op tegen de beschikking van de rechtbank aldaar van 1 september 1995, waarbij de rechtbank het beklag van [klager] gegrond heeft verklaard, omdat het openbaar ministerie zonder toepassing van art. 118 lid 3 Sv Pro de onder [klager] inbeslaggenomen auto heeft teruggegeven aan [betrokkene]. De rechtbank heeft de teruggave van de auto aan [klager] gelast.
Het middel komt naar mijn mening terecht tegen de beslissing van de rechtbank op. Door te beslissen, zoals zij deed, heeft de rechtbank "ongezien" het belang van de pretense eigenaar (aangever van de diefstal) te kort gedaan. De rechtbank had in de haar bekende gegevens, waaronder de ( premature ) teruggave aan de aangever van de diefstal, aanleiding moeten vinden de belangenafweging te verrichten, waartoe zij zou zijn geroepen als het voorschrift van art. 118 lid 3 Sv Pro zou zijn onderhouden en de beslagene zich daarover zou hebben beklaagd. Vgl. HR NJ 1979, 620 en de door de officier van justitie in de schriftuur genoemde beschikking HR NJ 1991, 581 (het verzuim van de in art. 118 lid 3 Sv Pro gegeven mededeling leidt niet tot niet-ontvankelijkverklaring van klager)(1). Zonder nadere motivering op grond van een afweging van de in deze zaak ter sprake gekomen belangen mocht de rechtbank niet de knoop doorhakken door het belang van de beslagene het zwaarst te laten wegen op de enkele grond dat het openbaar ministerie niet aan art. 118 lid 3 Sv Pro de hand had gehouden. De rechtbank heeft aldus bij de beoordeling van het beklag van [klager] de verkeerde maatstaf gebruikt.
De bestreden beschikking zal naar mijn mening niet in stand kunnen blijven. Na terugwijzing zullen [klager] en [betrokkene] door de rechtbank moeten worden gehoord (en zal de rechtbank, suppositis supponendis, toepassing geven aan het bepaalde in art. 119 lid 2 Sv Pro).
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Het in de schriftuur genoemde HR NJ 1993, 786 is naar mijn mening voor deze zaak niet onmiddellijk van betekenis, omdat in die zaak ook de "derde-niet beslagene" een klaagschrift had ingediend (zie rubr. 5.2 van het arrest van de Hoge Raad).
Terzijde: Vademecum strafzaken verwijst in [51], p. 184-185 naar HR NJ 1991, 823 (noot Corstens) en verbindt aan deze beschikking de opmerking dat niet (volledige) inachtneming van art. 118 lid 3 Sv Pro tot niet-ontvankelijkheid van beslagene in zijn beklag leidt, indien het openbaar ministerie het voorwerp intussen al aan de derde heeft gegeven. Ik kan dit in de genoemde beschikking van de Hoge Raad niet lezen. Vgl. Minkenhof-Reijntjes, p. 145, noot 287.