Conclusie
middelkeert zich tegen de zojuist geciteerde overwegingen van het Hof en betoogt dat het oordeel van het Hof onjuist, althans onbegrijpelijk, is aangezien art. 3:86 lid 3 aanhef Pro en sub a BW uitdrukkelijk de eis stelt dat er sprake moet zijn van een bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, terwijl de bedrijfsruimte van [A] , blijkens 's Hofs feitelijke vaststellingen, aan deze eis niet voldeed.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.