In deze zaak stond de vraag centraal of het gerechtshof verplicht was om bij bewezenverklaring van flessentrekkerij te kiezen tussen het maken van een 'beroep' of een 'gewoonte' van het kopen van goederen met het oogmerk deze niet te betalen, zoals bedoeld in art. 326a Sr.
Het hof had vastgesteld dat verdachte in een periode van ruim drie weken meerdere keren goederen had gekocht zonder deze te betalen, waarbij sprake was van een patroon dat als een gewoonte kon worden gekwalificeerd. De verdediging stelde dat het hof had moeten kiezen tussen de kwalificaties 'beroep' en 'gewoonte', omdat dit voor de strafrechtelijke betekenis van belang zou zijn.
De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het hof geen keuze hoefde te maken, aangezien beide kwalificaties in de telastelegging waren vervat en voor de rechtskundige waardering geen verschil maakten. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de bewijsmiddelen voldoende waren om het bestaan van een beroep of gewoonte aan te nemen.
De veroordeling van verdachte tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een bijzondere voorwaarde tot schadevergoeding, werd daarmee bevestigd.