Conclusie
Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord omdat naar zijn oordeel de pseudo-vertegenwoordiger ook naar oud recht het positief contractsbelang dient te vergoeden. Tegen deze beslissing richt zich het middel. Mijns inziens tevergeefs. Voordat ik hierop nader inga, geef ik een kort overzicht van de feiten en het verloop van het geding.
- Thans eiser tot cassatie, [eiser] , heeft zich op 26 september 1990 tegenover thans verweerder in cassatie, [verweerder] , voorgedaan als bevoegd vertegenwoordiger van [B] B.V., hierna ook te noemen [B] ; hij heeft in die hoedanigheid met [verweerder] een koopovereenkomst gesloten waarbij [verweerder] voor f 1,- de helft van de aandelen verkreeg in de vennootschap waarvan hijzelf directeur was, de besloten vennootschap [A] B.V. , verder te noemen [A] . (Door [eiser] is betoogd dat het hier ging om een zogenaamde “management buy out”.)
- Op 11 maart 1991 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [verweerder] advocaat namens [verweerder] en [eiser] namens [B] ; overeengekomen werd dat [verweerder] alsnog f 30.001,- voor de aandelen aan [B] zou betalen. [verweerder] heeft bedoeld bedrag vervolgens ook daadwerkelijk betaald en aldus alsnog de aandelen [A] van [B] verworven.
- Daarop heeft [verweerder] verhaal gezocht bij [eiser] ; bij inleidende dagvaarding van 22 april 1991 vorderde hij van [eiser] een schadevergoeding van f 30.000,- (met rente en kosten), zijnde het bedrag dat hij aan [B] diende te voldoen teneinde haar te bewegen tot bekrachtiging van de overeenkomst van 26 september 1990.
De steller van het middel is klaarblijkelijk van oordeel dat de door de Rechtbank gehanteerde maatstaf vergoeding van het positief contractsbelang impliceert; dat leid ik althans af uit zijn schriftelijke toelichting. Van vergoeding van het positief contractsbelang is hier echter geen sprake nu niet als uitgangspunt wordt genomen dat moet worden vergoed het nadeel dat de wederpartij lijdt doordat de rechtshandeling die de onbevoegd vertegenwoordiger daadwerkelijk heeft verricht niet tot stand is gekomen. De Rechtbank gaat kennelijk ervan uit dat het negatief contractsbelang dient te worden vergoed. Zij neemt immers tot uitgangspunt dat de wederpartij (financieel) moet worden gebracht in de situatie waarin deze zou hebben verkeerd ingeval de pseudo-vertegenwoordiger niet (onbevoegd) was opgetreden; in dat verband diende aan de orde te komen of en zo ja tegen welke prijs [B] zou hebben ingestemd met de verkoop van de aandelen. Zie over vergoeding van positief en negatief contractsbelang onder andere Asser-Van der Grinten I (De vertegenwoordiging), 1990, nr. 97 en Bloembergen, Vertegenwoordiging, 1986, nr. 22.
“4.3 De omstandigheid dat [eiser] [B] tegenover [verweerder] op 26 september 1990 onbevoegd heeft vertegenwoordigd, brengt mee dat [eiser] , die voor zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid had in te staan, aansprakelijk is voor het nadeel dat [verweerder] lijdt doordat de rechtshandeling, te weten de koopovereenkomst waarbij [verweerder] de helft van de aandelen in [A] voor de koopprijs van f 1,- verwierf, niet tot stand is gekomen.
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de aansprakelijkheid van de gevolmachtigde berust op een rechtshandelingsconstructie: de aansprakelijkheid berust op een stilzwijgend door de gevolmachtigde jegens de wederpartij aangegane verbintenis.
Zie de MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 283. De ratio van de regel dat degene die als vertegenwoordiger optreedt jegens de wederpartij heeft in te staan voor zijn bevoegdheid is gelegen in de eisen van het handelsverkeer: zie de TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 283.
Art. 3:70 is Pro ingevolge art. 3:78 BW Pro van overeenkomstige toepassing wanneer iemand optreedt als vertegenwoordiger uit anders voortvloeit; bij dat optreden als vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht valt met name te denken aan het handelen van bestuurders van een rechtspersoon. In casu is de Rechtbank overigens – zoals gezegd – ervan uitgegaan dat [eiser] uit hoofde van volmacht handelde; daartegen is in appel niet opgekomen.
Ik meen op grond van het bovenstaande zonder twijfel te mogen concluderen dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat aan [verweerder] moet worden vergoed het nadeel dat deze lijdt doordat de door [eiser] namens [B] gesloten koop tegen de prijs van f 1,- niet tot stand is gekomen omdat [eiser] niet bevoegd was [B] te vertegenwoordigen. Evenzeer terecht is het Hof tot de slotsom gekomen dat dit nadeel in casu f 30.000,- bedraagt nu [verweerder] tegen betaling van dat bedrag [B] heeft kunnen bewegen tot bekrachtiging van de aandelen-verkoop althans tot verkoop. Dit zou naar mijn oordeel anders zijn ingeval [B] en [verweerder] bedoelde afspraak zouden hebben gemaakt ter benadeling van de aansprakelijk te stellen [eiser] ; daarvan is echter in het geheel niets gebleken.
Deze klacht mist feitelijke grondslag; zoals gezegd is het Hof – terecht – ervan uitgegaan dat als vergelijkingsmaatstaf voor het bepalen van de omvang van de schadevergoeding moet worden genomen niet de toestand waarin [verweerder] zou hebben verkeerd ingeval [eiser] destijds tezamen met zijn mededirecteur zou hebben gehandeld doch de toestand waarin [verweerder] zou hebben verkeerd ingeval [eiser] bevoegd zou zijn geweest op naam van [B] de aandelen voor f 1,- te verkopen.