ECLI:NL:PHR:1997:AA2096
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over winst uit onderneming bij ondermaatschap in vennootschap onder firma
De zaak betreft een fiscale geschil over de vraag of de belanghebbende in 1990 winst uit onderneming heeft genoten via een ondermaatschap in een vennootschap onder firma (vof). De belanghebbende en zijn echtgenote sloten een overeenkomst van ondermaatschap, waarbij de belanghebbende niet als volwaardig firmant werd erkend door de andere firmant, mede vanwege familiale verhoudingen.
Het hof Amsterdam oordeelde ten gunste van de belanghebbende en kwalificeerde hem als ondernemer die recht heeft op winst en stille reserves uit de firma. De Inspecteur van de Belastingdienst stelde echter dat de ondermaatschap geen zelfstandige onderneming drijft en dat de belanghebbende geen directe gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen heeft.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de stelling van de Inspecteur. De Hoge Raad overweegt dat de belanghebbende niet als ondernemer kan worden aangemerkt omdat hij geen rechtstreekse gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen heeft en dat de activiteiten binnen de firma onvoldoende zijn om hem als ondernemer te kwalificeren. De zaak wordt terugverwezen voor afdoening in overeenstemming met deze uitspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat de belanghebbende geen winst uit onderneming geniet in 1990.