ECLI:NL:PHR:1997:AA2204
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling overdrachtsbelasting voor glasopstanden op tuinbouwgrond niet van toepassing
Belanghebbende verkreeg een perceel tuinbouwgrond met glasopstanden en een schuur. Het geschil betrof de vraag of de glasopstanden onder het begrip landerijen van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) vallen, waardoor vrijstelling van overdrachtsbelasting zou gelden.
Het hof had geoordeeld dat de glasopstanden als landerijen konden worden aangemerkt en verleende gedeeltelijke teruggaaf van overdrachtsbelasting. De Staatssecretaris stelde cassatie in, stellende dat het hof het recht had geschonden door glasopstanden als landerijen te kwalificeren.
De Hoge Raad overwoog dat de WBR uitgaat van het civielrechtelijke begrip onroerende zaak, waarbij opstallen deel uitmaken van de ondergrond en niet als landerijen worden beschouwd. De wetsgeschiedenis en jurisprudentie tonen aan dat gebouwde eigendommen en hun ondergrond niet onder de vrijstelling vallen. De Raad concludeerde dat glasopstanden en hun ondergrond niet als landerijen kunnen worden aangemerkt en vernietigde het arrest van het hof, bevestigde het besluit van de inspecteur en wees het cassatiemiddel toe.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat glasopstanden en hun ondergrond niet onder de vrijstelling van overdrachtsbelasting als landerijen vallen.