ECLI:NL:PHR:1997:AA2207
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid voor niet-afgedragen loonbelasting wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur
De zaak betreft de bestuurder van een BV die loonbelasting over het tweede kwartaal van 1988 niet heeft afgedragen. De BV ontving een naheffingsaanslag, welke niet werd betaald. De bestuurder werd op grond van artikel 32a van de Wet op de loonbelasting 1964 aansprakelijk gesteld wegens het niet tijdig melden van betalingsonmacht en kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De belanghebbende voerde aan dat hij tijdig melding had gemaakt van betalingsonmacht en dat de belastingdienst op de hoogte was van de financiële situatie van de BV. Het Hof bevestigde echter dat de melding niet tijdig was gedaan en dat de bestuurder het vermoeden van schuld niet had kunnen weerleggen. De Hoge Raad overwoog dat de aansprakelijkstelling terecht was en dat de klacht over overschrijding van de redelijke termijn faalt.
De Hoge Raad benadrukte het bijzondere karakter van de bestuurdersaansprakelijkheid, waarin publiekrechtelijke en privaatrechtelijke aspecten samenkomen. De meldingsplicht is van groot belang om het uitvoeringsorgaan tijdig te informeren over betalingsproblemen, zodat een passend invorderingsbeleid kan worden gevoerd. De bestuurder kan slechts ontkomen aan aansprakelijkheid indien hij aannemelijk maakt dat de niet-betaling niet aan hem te wijten is.
De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en bevestigde daarmee de aansprakelijkheid van de bestuurder voor de belastingschuld van de BV.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van de bestuurder voor de niet-betaalde loonbelasting van de BV wegens niet-tijdige melding van betalingsonmacht en kennelijk onbehoorlijk bestuur.