ECLI:NL:PHR:1997:AA3257
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland inzake winsttoerekening aan vaste inrichting
De zaak betreft een cassatieberoep van een Zwitserse reisverzekeringsmaatschappij tegen de staatssecretaris van Financiën over de toerekening van winst aan haar vaste inrichting in Nederland. Het geschil spitst zich toe op de uitleg van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland uit 1951 en de toepassing van de premiebreukmethode voor winsttoerekening.
De Hoge Raad bevestigt dat de winst van de vaste inrichting in Nederland moet worden berekend volgens het Nederlandse fiscale recht, ook al is de onderneming naar Zwitsers recht opgericht. Dit betekent dat de vaste inrichting als een zelfstandige onderneming wordt beschouwd (ondernemingssplitsing) en dat de winst niet louter op basis van de commerciële of Zwitserse fiscale winst kan worden vastgesteld.
De Hoge Raad wijst erop dat het verdrag geen expliciete methode voorschrijft voor de winstberekening, maar dat de Nederlandse wetgeving en jurisprudentie de ondernemingssplitsing als uitgangspunt hanteren. De premiebreukmethode wordt als een forfaitaire methode erkend, waarbij de winst wordt toegerekend op basis van het aandeel van de premie-inkomsten van de vaste inrichting.
Verder behandelt de uitspraak de fiscale behandeling van specifieke reserves zoals de Schwankungsrückstellung en de toepassing van correcties volgens goed koopmansgebruik. De Hoge Raad verwerpt de middelen van cassatie en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van het hof dat de toegepaste methode en correcties aanvaardbaar zijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de winst van de vaste inrichting wordt berekend volgens Nederlandse fiscale maatstaven.