ECLI:NL:PHR:1997:AA3289
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over staken onderneming en vervangingsreserve bij verkoop en aankoop snackbar
Belanghebbende exploiteerde een snackbar en verkocht deze in 1988, waarna hij een andere snackbar met bovenwoning en café kocht. Het geschil betrof of sprake was van staking van de onderneming en of een vervangingsreserve kon worden gevormd over de boekwinst van de verkoop. Het hof oordeelde dat belanghebbende zijn oorspronkelijke onderneming geheel had gestaakt en dat de nieuwe onderneming niet als voortzetting kon worden gezien, mede vanwege verschillen in aard, exploitatie en klantenkring.
De inspecteur stelde dat de verkoop van de snackbar een staking van de onderneming betekende, omdat de nieuwe onderneming niet gelijksoortig was en de klantenkring verschilde. Belanghebbende voerde aan dat sprake was van bedrijfsverplaatsing en voortzetting van dezelfde onderneming, waarbij de klantenkring grotendeels gelijk was. Het hof verwierp dit en oordeelde dat de stakingswinst niet in een vervangingsreserve kon worden ondergebracht.
De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof een feitelijke beslissing is die niet in cassatie kan worden getoetst, en dat de vorming van een vervangingsreserve niet mogelijk is indien sprake is van staking en liquidatie van de onderneming. De Hoge Raad verwierp de middelen van belanghebbende en concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de vervangingsreserve kan niet worden toegepast omdat sprake is van staking van de onderneming.