ECLI:NL:PHR:1997:AA3307
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over belastingheffing vergoeding waardevermindering overblijvende landbouwgrond na onteigening
Belanghebbende verkocht in 1989 een deel van zijn landbouwgrond aan Rijkswaterstaat voor de aanleg van een rijksweg, waarbij een bedrag van ƒ 150.000 werd toegekend als vergoeding voor waardevermindering van de overblijvende grond. Het hof Arnhem oordeelde dat dit bedrag, of ten minste ƒ 135.000 daarvan, tot het belastbare inkomen behoorde omdat het een vergoeding voor hogere exploitatiekosten van belanghebbende was en niet voor duurzame waardevermindering van de grond.
Belanghebbende voerde aan dat de vergoeding strekte ter compensatie van blijvende waardevermindering van de overblijvende gronden, een standpunt dat door het hof werd verworpen. De Hoge Raad stelt dat de bewijslast voor een vrijstelling op de belastingplichtige rust, maar dat de inspecteur die een afwijkende stelling inneemt, deze ook aannemelijk moet maken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende is ingegaan op de stellingen en bewijsstukken van belanghebbende, met name dat de gunstige verkopen van de resterende grond pas na 1989 plaatsvonden en dat de waardevermindering duurzaam was. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing.
De uitspraak bevat een uitgebreide bespreking van relevante jurisprudentie over de fiscale behandeling van vergoedingen voor waardevermindering versus inkomensschade bij onteigening en de bewijslastverdeling in belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling over de fiscale behandeling van de vergoeding.