ECLI:NL:PHR:1997:AA3324
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van successierecht en toepassing van verdrag ter voorkoming dubbele belasting bij nalatenschap met onroerende zaken in de VS
De zaak betreft de nalatenschap van A, die op 16 januari 1989 overleed. De erfgenamen zijn zijn echtgenote en vier kinderen. Er is discussie over de hoogte van het in Nederland verschuldigde successierecht zonder toepassing van het verdrag met de Verenigde Staten en de vermindering van dit recht op grond van het verdrag.
De Hoge Raad bevestigt de rechtsgeldigheid van de zogenaamde "tenzij-clausule" in de ouderlijke boedelverdeling en stelt dat de erfgenamen voor gelijke onverdeelde aandelen in de nalatenschap gerechtigd zijn. De discussie over de berekening van de latente belasting wordt toegelicht met verwijzing naar eerdere arresten en vakliteratuur, waarbij de netto-methode wordt bevestigd als juiste benadering.
Het hof heeft vastgesteld welke vermogensbestanddelen als onroerend in de VS moeten worden aangemerkt en hoe de Amerikaanse successierechten moeten worden toegerekend. De Hoge Raad bespreekt de juiste wisselkoers voor de omrekening van de in de VS betaalde belasting en oordeelt dat de koers op de dag van betaling moet gelden. Tevens wordt de methode van toerekening van schulden en de berekening van de limiet van de vermindering van het Nederlandse successierecht op grond van het verdrag uitvoerig besproken.
De Hoge Raad oordeelt dat de berekening van het successierecht door de staatssecretaris juist is en verwerpt de cassatiemiddelen van de belanghebbenden. De aanslagen worden verminderd conform de juiste toepassing van het verdrag en de berekeningsmethoden. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de toepassing van het verdrag, de waardering van fictieve verkrijgingen en de berekening van latente belastingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt eerdere uitspraken en vermindert de aanslagen successierecht conform de juiste toepassing van het verdrag en berekeningsmethoden.