Conclusie
2.4.3/2.4.4: voormeld rapport onder 2.4.2 en voorts de bewijsmiddelen 28 en 29
2.5.3/2.5.4: voormeld rapport onder 2.5.2 en voorts bewijsmiddel 37
2.10.4: voormeld rapport onder 2.10.2 en voorts de bewijsmiddelen 5 en 6.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, verkregen door deelname aan een criminele organisatie die amfetamine handelde. Het hof had aan verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling van een geldbedrag van f 86.910, bij gebreke daarvan vervangende hechtenis.
Verzoeker stelde cassatie in tegen deze beslissing, waarbij onder meer werd betoogd dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat hij voordeel had genoten uit bepaalde feiten en dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met de te betalen inkomstenbelasting over het geschatte voordeel.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het voordeel had geschat op basis van de bewezenverklaarde feiten, met uitzondering van het feit van het enkel aanwezig hebben van amfetamine, omdat niet bleek dat daaruit voordeel was genoten. Tevens werd bevestigd dat de rechter bij de ontnemingsmaatregel geen fiscale correcties hoeft toe te passen, omdat de fiscale systematiek het effect van belastingheffing en aftrekbaarheid globaal ongedaan maakt.
Daarnaast werd het middel verworpen dat het hof onterecht een financieel verslag had gebruikt waarin een gelijke verdeling van opbrengsten werd aangenomen, omdat dit uitgangspunt niet onbegrijpelijk was gelet op de overige bewijsmiddelen.
De Hoge Raad concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep en handhaafde de beslissing van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel van f 86.910 zonder fiscale correctie.