ECLI:NL:PHR:1998:AA2305
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Navordering bij onjuiste toedeling van inkomensbestanddelen tussen echtgenoten
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1993. De belanghebbende en haar echtgenoot ontvingen een periodieke uitkering die aanvankelijk volledig bij de echtgenoot werd belast. Het hof oordeelde dat artikel 16 lid 2 onder Pro b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet van toepassing was omdat de uitkering tot het persoonlijke inkomen behoorde.
De Hoge Raad stelt dat de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 16 lid 2 onder Pro b AWR niet tot zo'n beperkte uitleg dwingen. De wetgever heeft geen beperking aangebracht dat navordering alleen mogelijk is bij fouten in toedeling van inkomensbestanddelen die niet tot het persoonlijke inkomen behoren. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie die een ruimere uitleg ondersteunt.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling, met name om de stelling van de belanghebbende te beoordelen dat de Inspecteur door het opleggen van de navorderingsaanslag heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. De zaak betreft daarmee de juiste toepassing van navordering en de bescherming van vertrouwen in belastingaanslagen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling, inclusief de beoordeling van het vertrouwensbeginsel.