ECLI:NL:PHR:1998:AA2326
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake teruggaaf omzetbelasting aan Belgische advocaat
De zaak betreft een in België gevestigde advocaat die in 1990 een auto huurde in Nederland voor zijn werkzaamheden in België. Over deze huur werd omzetbelasting in rekening gebracht, waarvan hij in 1991 teruggaaf verzocht. De Inspecteur wees dit verzoek af omdat de advocaat geen positieve verklaring van onderworpenheid aan de BTW in België kon overleggen, zoals vereist volgens art. 30a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
Het Hof bevestigde deze afwijzing, verwijzend naar de Europese Achtste richtlijn die een dergelijke verklaring eist. De advocaat stelde dat het Nederlandse recht soepeler is en dat een verklaring van ondernemerschap volgens art. 7 Wet Pro OB 1968 voldoende zou moeten zijn. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever niet bevoegd is om via art. 30a Uitv. besch. OB 1968 een zwaardere eis te stellen dan art. 33 lid 6 Wet Pro OB 1968 toestaat.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof, de uitspraak van de Inspecteur en de onderliggende beschikking, en gaf teruggaaf van de omzetbelasting van ƒ 16.334,-- aan de belanghebbende. De uitspraak benadrukt dat de wetgever zich moet bezinnen op aanpassing van de Wet OB 1968 in overeenstemming met de Europese richtlijnen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verleent teruggaaf van ƒ 16.334,-- omzetbelasting aan de Belgische advocaat.