ECLI:NL:PHR:1998:AA2396

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32179
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26b Wet op de loonbelasting 1964Art. 28 Wet op de loonbelasting 1964Art. 29 Wet op de loonbelasting 1964Art. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing anoniementarief bij niet-overleggen kopie identiteitsbewijs

De zaak betreft een geschil over de toepassing van het anoniementarief van 60% loonbelasting op het loon van een werknemer die geen kopie van zijn paspoort aan zijn werkgever overhandigde. De werkgever hield daarom loonbelasting in tegen het anoniementarief. Het gerechtshof te 's-Gravenhage oordeelde dat het anoniementarief terecht werd toegepast omdat de identiteit van de werknemer niet was vastgesteld conform de wettelijke vereisten.

De staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de uitleg van de Wet op de loonbelasting 1964, met name de artikelen 26b, 28 en 29, en de vraag of de werkgever verplicht is een kopie van het identiteitsbewijs te bewaren en of het anoniementarief als sanctie terecht werd toegepast. Tevens werd getoetst of deze regeling in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name de artikelen 6 en 8.

De Hoge Raad bevestigde dat het anoniementarief gekoppeld is aan het niet vaststellen van de identiteit volgens artikel 28 en Pro niet aan het opnemen van een kopie in de loonadministratie. De wetsgeschiedenis ondersteunt dit en geeft geen aanwijzing dat de sanctie aan de werknemer kan worden opgelegd vanwege het niet overleggen van een kopie. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het anoniementarief geen strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM Pro en dat de privacy-inbreuk door de kopie wettelijk gerechtvaardigd is om fraude te voorkomen.

Het beroep in cassatie werd verworpen en de uitspraak van het Hof bevestigd. De zaak bevatte ook uitgebreide annotaties en overwegingen over de verhouding tussen wettelijke verplichtingen en mensenrechten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de staatssecretaris werd verworpen en het anoniementarief van 60% loonbelasting terecht toegepast.

Conclusie

Nr. 32.179 Mr Van Soest
Derde Kamer B Conclusie inzake:
Loonbelasting 1995 de staatssecretaris van Financiën
Parket, 1 mei 1997 tegen
X
Edelhoogachtbaar College,
I. . Korte beschrijving van de zaak.
A. . Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage, derde meervoudige belastingkamer (hierna te noemen het Hof), van 22 maart 1996, nr. 95/3826, Infobulletin 1996, blz. 302, punt 96/287 . Het is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën. Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in Infobulletin 1996, blz. 453, punt 96/415 .
B. . De belanghebbende, X, was in dienstbetrekking werkzaam bij Vereniging A (hierna te noemen A).
C. . A heeft als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting aan de belanghebbende verzocht een kopie van zijn paspoort aan haar over te leggen.
D. . De belanghebbende heeft niet aan dit verzoek voldaan.
E. . A heeft over augustus 1995 op het loon van de belanghebbende loonbelasting ingehouden naar het tarief van 60 %.
F. . In geschil is de hoogte van het tarief.
G. . Het Hof heeft het geschil ten gunste van de belanghebbende beslecht.
H. . Het beroep in cassatie is in overeenstemming met de voorschriften op 3 mei 1996 ingesteld. Het steunt op een middel van cassatie, waarvan de grond wordt omschreven als dienende (beroepschrift in cassatie, blz. 1)
"(...) Ter toelichting (...)"
I. . De belanghebbende heeft bij op 19 juli 1996 ingekomen vertoogschrift in cassatie, met een op 12 augustus 1996 ingekomen correctie, het middel bestreden .
J. . Min of meer verwante zaken zijn bij Uw Raad aanhangig onder nrs. 32.694 en 32.732 . In de zaak nr. 32.732 neem ik heden eveneens conclusie.
II. . Identificatieplicht en anoniementarief.
De bijlage bij deze conclusie bevat gegevens over identificatieplicht en anoniementarief, alsmede (onder 3.12-26) een beschouwing over toetsing van de regeling aan art. 6 Europees Pro Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
III. . De bestreden uitspraak.
A. . Het Hof heeft overwogen (ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan):
"(blz. 5) (...) 6.2. (...) Wanneer aan de hand van het ter inzage verstrekte identiteitsbewijs de identiteit van de werknemer is vastgesteld (...), is (...) de consequentie daarvan tweeërlei. In de eerste plaats heeft de inhoudingsplichtige (...) datgene gedaan waartoe artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet hem verplicht. In de tweede plaats komt het tarief van 60 percent (...) niet voor toepassing in aanmerking. De door de wetgever beoogde vaststelling van de identiteit van de werknemer is terug te vinden in elk van de drie (...) bepalingen. Dat aspect hebben die bepalingen met elkaar gemeen. Een zodanige koppeling is echter niet aanwezig waar het gaat om de tweede verplichting die artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de inhoudingsplichtige legt, te weten de opneming in de loonadministratie (...) Zowel in artikel 26b als in artikel 29, eerste lid, van de Wet ontbreekt die verplichting dan wel een tegenhanger ervan. (...) (blz. 6) (...) 6.4. (...) Indien (...) de werknemer niet toestaat dat een afschrift van het identiteitsbewijs wordt gemaakt, is de inhoudingsplichtige niet in staat om een afschrift (...) in de loonadministratie op te nemen. Dit enkele gegeven acht het Hof onvoldoende om in artikel 26b of in artikel 29 (...) een verder strekkende verplichting te lezen dan de tekst aangeeft. Mede gelet op het ingrijpende karakter van een zodanige verplichting, acht het Hof (...) de tekst van genoemde bepalingen van doorslaggevende betekenis. (...) 6.5. (...) De wetgever heeft het kennelijk niet noodzakelijk geacht een wettelijke voorziening voor zodanig geval te treffen. De vijfde nota van wijzigingen (...) voorziet weliswaar in de uitdrukkelijke verplichting (...) van de inhoudingsplichtige om een afschrift (...) in de loonadministratie op te nemen, maar (blz. 7) laat na een complementaire verplichting (...) van de werknemer te regelen. (...)"
B. . Van de Merwe annoteerde:
"(...) Ter versterking van de identificatieplicht is (...) het anoniementarief in stelling gebracht. Dit tarief geldt (...) voor de werknemer van wie de identiteit niet is vastgesteld aan de hand van een toegelaten identiteitsbewijs. Art. 26b Wet LB 1964 noemt daarbij niet de bijkomende verplichting voor de werkgever een afschrift van het identiteitsbewijs te bewaren. Het niet voldoen aan die verplichting leidt dus niet tot toepassing van het anoniementarief, zoals Hof 's-Gravenhage (...) terecht besliste. (...)"
IV. . Het middel.
Het middel houdt in (ik vermeld nadere vindplaatsen in het beroepschrift in cassatie):
"(blz. 1) (...) uit de (...) wetsgeschiedenis blijkt (...) onomstotelijk dat de werknemer moet toestaan dat inhoudingsplichtige een kopie maakt (...) Het Hof let naar mijn mening onvoldoende op (de samenhang met) de andere relevante bepalingen. (...) (blz. 2) Aangezien in casu de identiteit van belanghebbende niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet -er is geen afschrift (...) in de loonadministratie opgenomen- is de belasting terecht op 60 percent vastgesteld. (...)"
V. . Beoordeling van het middel.
A. . Naar mijn oordeel heeft het Hof op goede gronden een juiste beslissing genomen.
B. . In mijn eigen woorden: het gaat hier om een nagenoeg duidelijke wetstekst , die de toepassing van het anoniementarief verbindt aan het niet vastgesteld zijn van de identiteit op de wijze van art. 28. Art. 28 gewaagt Pro van vaststellen, "alsmede" opnemen in de loonboekhouding. Dus koppelt de tekst het anoniementarief niet aan het element opnemen.
C. . Het gaat hier voorts om een nagenoeg duidelijke wetsgeschiedenis, waarin van de zijde van de Tweede Kamer de bewindsman voorgehouden werd dat de wijze raad afschrift te houden geen steun vond in de wetstekst, en de bewindsman daarop in een laat stadium reageerde door de inhoudingsplichtige daartoe te verplichten. Bij gebrek aan meer aanwijzingen moet aangenomen worden dat de bewindsman meende daarmee te kunnen volstaan. In ieder geval geeft de wetsgeschiedenis er geen aanwijzing voor dat de bewindsman in dit stadium meende corresponderende verplichtingen van anderen in het leven te roepen, en evenmin daarvoor dat hij die verplichting (nota bene een verplichting van de inhoudingsplichtige) onder de sanctie wilde stellen van het anoniementarief (een sanctie die zich richt tegen de werknemer).
D. . Ik bevind derhalve het middel ongegrond.
VI. . De ontwikkeling van het geschil voorzover betreft toetsing aan het EVRM.
A. . Het vertoogschrift van de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren P (hierna te noemen de Inspecteur) hield in (onder 6.4),
"(blz. 5) (...) dat de toepassing van het tarief voor anonieme werknemers niet als boete in de zin van artikel 6 EVRM Pro gezien kan worden. (...) Dit tarief voor anonieme werknemers moet ondermeer bewerkstelligen dat de werknemer en de werkgever meewerken aan een goede gang van zaken bij de belastingheffing. Zo een tarief onderscheidt zich niet wezenlijk van andere speciale tarieven in de loon- en inkomstenbelasting. (...) (blz. 6) De loonbelasting is een voorheffing van de inkomstenbelasting, het hoogste tarief voor loonbelasting en inkomstenbelasting is 60%. Het tarief voor anonieme werknemers zorgt ervoor dat in ieder geval voldoende belasting wordt ingehouden. Uit het feit dat belanghebbende de eventueel teveel ingehouden loonbelasting via de aangifte inkomstenbelasting kan terugvragen blijkt dat geen sprake is van een boete. (...)"
.. Het Hof heeft de door de belanghebbende overgelegde pleitnota als in 's Hofs uitspraak onder 2.3, blz. 1, ingelast aangemerkt. Deze pleitnota hield in :
"(blz. 1) (...) de WID is in feite een onrechtvaardige wet, die (...) vooral ertoe strekt de opsporing te bevorderen en de legale tewerkstelling tegen te gaan van vreemdelingen en vluchtelingen die niet of nog niet beschikken over geldige verblijfspapieren. (...) (blz. 3) Van mij wordt als werknemer medewerking verlangd aan deze gang van zaken. En dat stuit bij mij op ernstige bezwaren. Het paspoortkopie lijkt mij in deze kontekst teveel op de niet-jood-verklaring zoals we die kennen uit de Tweede Wereldoorlog. (...) (blz. 8) (...) Voor bewaring van meer informatie dan aard en nummer van het identificatiebewijs is de "pressing social need" wel parlementair besproken, maar niet aangetoond en niet juridisch getoetst aan artikel 8 EVRM Pro. (...) Konklusie 5: Het fotokopie is (...) voor de controleerbaarheid niet nodig. De afgifte daarvan kan derhalve met een beroep op (...) art. 8 van Pro de EVRM worden geweigerd. (...) (blz. 9) (...) 2. Meer subsidiair: sanctie in strijd met art. 6 EVRM Pro (...) (blz. 10) (...) Aangezien het anoniementarief geen normale tariefgroep is maar een verhoogd tarief, is hier sprake van een verhoging welke als boete is op te vatten. (...) (blz. 11) (...) 3. (...) De rechter dient bij een geschil over de oplegging van een sanctie de evenredigheid tussen de schuld en de straf te beoordelen (...) (blz. 12) 4. (...) Een standaard-toepassing van het 60%-tarief verdraagt zich niet met het (...) evenredigheidsbeginsel. En (...) de regeling biedt de rechter alleen de keus tussen 60% of niets. (...) (blz. 13) (...) De wet dwingt de rechter in een keurslijf. De rechter kan de redelijkheid en proportionaliteit van de sanctie niet zelf beoordelen. (...)"
B. . De Staatssecretaris betoogt in zijn beroepschrift in cassatie:
"(blz. 3) (...) Voor zover belanghebbende betoogt dat de WID inbreuk zou maken op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) meen ik dat dit beroep ongegrond is. Als de verplichting van de werknemer om zijn werkgever een kopie te laten maken van zijn identiteitsbewijs al een inbreuk op de privacy van de werknemer zou zijn is deze inbreuk gerechtvaardigd nu deze bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is om belasting- en sociale zekerheidsfraude te voorkomen. (...) (blz. 4) (...) Belanghebbende acht voorts de toepassing van het tarief van artikel 26b van de Wet in strijd met artikel 6 EVRM Pro. (...) Het tarief van artikel 26b is een sanctie, maar niet een strafsanctie. Het uiteindelijke effect is betrekkelijk gering. (...)"
C. . Het vertoogschrift in cassatie houdt in (blz. 5):
"(...) Waar de staatssecretaris wil volhouden dat het uiteindelijke effect van de sanctie "betrekkelijk gering" is, weet hij toch echt niet waarover hij praat. (...) Het netto maandinkomen is in mijn geval door de sanctie gehalveerd. (...) Zo heeft de werkgever mij dan ook ontslag op staande voet in het vooruitzicht gesteld als hij daarmee een uiteindelijk dreigende straf kan ontlopen. Als aanvullende dwangmaatregel heeft hij mij reeds een halve periodiek onthouden. Dit alles heeft blijvende veranderingen veroorzaakt."
VII. . De te nemen beslissing.
A. . Voorzover de belanghebbende zich heeft beroepen op strijd van de Wet ID in verband met de desbetreffende voor 1995 opgestelde voorschriften uit de Wet LB 1964 - zoals zij door de belastingadministratie worden uitgelegd -, met art. 8, lid 1, EVRM, meen ik in deze zaak ermee te kunnen volstaan aan te nemen dat die strijd zich niet voordoet. Deze kwestie komt uitvoeriger aan de orde in mijn conclusie in de zaak nr. 32.732.
B. . Voorzover de belanghebbende zich heeft beroepen op strijd van de Wet ID in verband met de desbetreffende voor 1995 opgestelde voorschriften uit de Wet LB 1964 - zoals zij door de belastingadministratie worden uitgelegd -, met art. 6, lid 1, EVRM, geef ik in de bijlage bij deze conclusie, onder 3.12-26, aan dat die strijd zich naar mijn oordeel niet voordoet.
C. . Samenvattend, meen ik dat, aangezien het middel faalt, het beroep in cassatie verworpen moet worden en dat, voor geval Uw Raad het middel anders beoordeelt, Uw Raad na vernietiging van de bestreden uitspraak, ten principale recht doende, de uitspraak van de Inspecteur zal kunnen bevestigen.
VIII. . Conclusie.
Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,