ECLI:NL:PHR:1998:AA2396
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing anoniementarief bij niet-overleggen kopie identiteitsbewijs
De zaak betreft een geschil over de toepassing van het anoniementarief van 60% loonbelasting op het loon van een werknemer die geen kopie van zijn paspoort aan zijn werkgever overhandigde. De werkgever hield daarom loonbelasting in tegen het anoniementarief. Het gerechtshof te 's-Gravenhage oordeelde dat het anoniementarief terecht werd toegepast omdat de identiteit van de werknemer niet was vastgesteld conform de wettelijke vereisten.
De staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de uitleg van de Wet op de loonbelasting 1964, met name de artikelen 26b, 28 en 29, en de vraag of de werkgever verplicht is een kopie van het identiteitsbewijs te bewaren en of het anoniementarief als sanctie terecht werd toegepast. Tevens werd getoetst of deze regeling in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name de artikelen 6 en 8.
De Hoge Raad bevestigde dat het anoniementarief gekoppeld is aan het niet vaststellen van de identiteit volgens artikel 28 en Pro niet aan het opnemen van een kopie in de loonadministratie. De wetsgeschiedenis ondersteunt dit en geeft geen aanwijzing dat de sanctie aan de werknemer kan worden opgelegd vanwege het niet overleggen van een kopie. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het anoniementarief geen strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM Pro en dat de privacy-inbreuk door de kopie wettelijk gerechtvaardigd is om fraude te voorkomen.
Het beroep in cassatie werd verworpen en de uitspraak van het Hof bevestigd. De zaak bevatte ook uitgebreide annotaties en overwegingen over de verhouding tussen wettelijke verplichtingen en mensenrechten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de staatssecretaris werd verworpen en het anoniementarief van 60% loonbelasting terecht toegepast.