ECLI:NL:PHR:1998:AA2419
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over terugbetaling van geldboete in relatie tot wetswijziging 1991
De zaak betreft een belastinggeschil over de fiscale behandeling van een terugbetaalde geldboete. De belanghebbende was in 1989 door een boekenonderzoek betrapt op het uitschrijven van valse facturen om omzetbelasting terug te krijgen. De inspecteur legde toen een naheffing met boete op. De belanghebbende bracht deze boete in mindering als kosten in 1989. In 1991 werd een deel van de boete terugbetaald.
De inspecteur rekende deze terugbetaling deels tot de winst in 1991, terwijl de belanghebbende dit onbelast wilde houden. Het hof oordeelde dat de terugbetaling belastbaar is in 1991 en dat de advocaatkosten aftrekbaar zijn. De belanghebbende stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat de wet per 1991 het aftrekken van geldboetes verbood, maar dat dit verbod niet met terugwerkende kracht geldt. De terugbetaling van een boete die vóór 1991 aftrekbaar was, moet daarom als belastbare winst worden gezien in het jaar van terugbetaling. De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en bevestigde het oordeel van het hof.
De uitspraak benadrukt dat de fiscale behandeling van geldboetes en hun terugbetalingen moet aansluiten bij het goed koopmansgebruik en dat de wetswijziging van 1991 geen overgangsregeling bevatte. Ook werd het vertrouwen van de belanghebbende in een onbelaste terugbetaling niet gegrond geacht.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de terugbetaling van de boete is belastbaar in het jaar van terugbetaling.