ECLI:NL:PHR:1998:AA2494
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermogenswaardering bij geruisloze doorschuiving en fiscale oudedagsreserve bij bedrijfsopvolging
De zaak betreft een geschil over de fiscale behandeling van een geruisloze doorschuiving van een melkveehoudersbedrijf tussen een belanghebbende en zijn vader. De belanghebbende nam per 1 mei 1991 het aandeel van zijn vader in de maatschap over en zette de onderneming voort als eenmanszaak. De overdrachtsprijs was zakelijk vastgesteld en hoger dan de boekwaarde.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of per het boekjaar 1990/1991 een tekort aan ondernemingsvermogen was ontstaan, waardoor de fiscale oudedagsreserve moest worden toegevoegd aan het belastbare inkomen. Het hof had het geschil nadelig voor de belanghebbende beslist.
De Hoge Raad oordeelt dat de onderneming pas per het tijdstip van overdracht (1 mei 1991) tot het ondernemingsvermogen van de belanghebbende behoort. Voor die datum was er geen sprake van ondernemingsvermogen met betrekking tot het overgenomen deel. De schuldig gebleven prijs moet als schuld op de openingsbalans worden opgenomen, maar dit leidt niet tot een tekort vóór de overdracht. Hierdoor is het oordeel van het hof onjuist en wordt het arrest vernietigd.
De Hoge Raad benadrukt dat de geruisloze doorschuiving inhoudt dat de activa en passiva worden voortgezet tegen boekwaarde en dat de fiscale oudedagsreserve niet verminderd mag worden door een vermeend tekort vóór de overdracht. De zaak wordt verwezen naar een later tijdstip (1992) voor eventuele fiscale gevolgen.
De conclusie van de procureur-generaal is dat het beroep gegrond is en dat de bestreden uitspraak en navorderingsaanslag moeten worden vernietigd, waarmee de belanghebbende over 1991 het volle gelijk krijgt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en oordeelt dat over 1991 geen tekort aan ondernemingsvermogen bestond, waardoor de fiscale oudedagsreserve niet bij het inkomen moest worden geteld.