ECLI:NL:PHR:1998:AA2499
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrekbaarheid rente bij jaarlijkse heffing bouwgrondbelasting
De zaak betreft een geschil over de aftrekbaarheid van rente die begrepen is in de jaarlijkse termijnen van een bouwgrondbelasting die door de gemeente Ermelo is opgelegd. De belanghebbende bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 1993 de rente die volgens een gemeentelijk schema in de termijnen was begrepen, in mindering op de huurwaarde van de woning. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de termijnen als belasting werden gezien en niet als rente van een schuld.
Het gerechtshof Arnhem oordeelde echter dat de jaarlijkse termijnen een materiële belastingschuld vertegenwoordigen, die na omzetting van de eenmalige aanslag in termijnen is blijven bestaan, en dat de rentecomponent daarom aftrekbaar is. De staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat de omzetting van een eenmalige bouwgrondbelasting in een jaarlijkse heffing met rente een schuldvernieuwing inhoudt waarbij het oorspronkelijke bedrag als hoofdsom blijft bestaan. De rente in de annuïteiten is daarom aftrekbaar als rente van schulden op grond van art. 35 Wet Pro IB 1964. Wel acht de Hoge Raad het tweede middel gegrond, omdat het hof geen rekening hield met gevolgen voor de rentevrijstelling, wat leidt tot herziening van de aanslag en vermindering van het belastbaar inkomen.
Uitkomst: De rentecomponent in de jaarlijkse bouwgrondbelasting is aftrekbaar als rente van schulden, maar de aanslag wordt herzien vanwege toepassing van de rentevrijstelling.