ECLI:NL:PHR:1998:AA2565
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fiscale erkenning en belastingheffing van trusts in Successiewet 1956
In deze zaak staat centraal of trusts fiscaal erkend kunnen worden als belastingplichtigen onder de Successiewet 1956 en of het trustvermogen kan worden belast met schenkingsrecht. De inspecteur legde aanslagen op wegens vermogensoverdrachten aan trusts, welke door het hof werden afgewezen omdat trusts geen rechtspersoon zijn en de wet geen aanknopingspunten biedt voor belastingheffing op trusts.
De staatssecretaris stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof, stellende dat het hof een 'zwevend vermogen' creëert dat buiten het bereik van de wet valt, wat strijdig is met de doelstelling van de Successiewet. Hij pleitte voor een teleologische interpretatie waarbij trusts als entiteiten sui generis belast kunnen worden.
De conclusie van de Procureur-Generaal adviseert de cassatiegronden gegrond te verklaren, de uitspraken van het hof te vernietigen en de aanslagen te handhaven. Daarbij wordt aanbevolen de trust fiscaal niet te erkennen en deze te behandelen als een niet-transparante familiestichting.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt het arrest van het hof, waardoor de aanslagen schenkingsrecht worden gehandhaafd. Hiermee wordt bevestigd dat trusts in het Nederlandse fiscale recht niet als zelfstandige belastingplichtigen worden erkend, maar dat de wetgever via andere constructies heffing kan laten plaatsvinden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en handhaaft de aanslagen schenkingsrecht tegen de trusts.