ECLI:NL:PHR:1998:AA2585
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het gelijkheidsbeginsel bij aftrek alimentatie in inkomstenbelasting
De belanghebbende, een belastingadviseur, stelde in zijn aangifte inkomstenbelasting 1991 een bedrag van ƒ 54.221,- aan alimentatiebetalingen aan zijn ex-echtgenote in aftrek. De Inspecteur wees deze aftrek af omdat de ex-echtgenote geen aanspraak op alimentatie had. Het hof bevestigde dit oordeel en wees ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat een andere belastingplichtige die een vergelijkbare aftrekpost had opgevoerd, onder een andere inspecteur viel.
De belanghebbende stelde in cassatie dat het gelijkheidsbeginsel, als beginsel van behoorlijk bestuur, niet mocht worden beperkt door de interne competentiegrenzen van de Belastingdienst. Hij voerde aan dat de rijksbelastingheffing een uniforme toepassing vereist en dat regionale verschillen niet gerechtvaardigd zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de competentiegrenzen tussen inspecteurs als gegeven moeten worden aanvaard en dat een bestuursorgaan niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het beleid van een ander orgaan. Ook werd geoordeeld dat de reorganisatie van de Belastingdienst en de competentie-indeling berusten op aanvaardbare gronden. Bovendien stelde de Hoge Raad dat de belanghebbende onvoldoende had gesteld om aan te tonen dat sprake was van ongelijke behandeling met een oogmerk van begunstiging.
De klacht werd daarom ongegrond verklaard en het beroep verworpen.
Uitkomst: Het beroep van de belanghebbende wordt verworpen en het gelijkheidsbeginsel wordt niet geschonden door de competentie-indeling van de Belastingdienst.