ECLI:NL:PHR:1998:AA2589
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over bestemmingswijzigingswinst bij staking landbouwbedrijf en overgang grond naar privévermogen
Deze zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over de belastingheffing van bestemmingswijzigingswinst in het kader van de inkomstenbelasting 1992.
Belanghebbende dreef een tuindersbedrijf en bracht bij staking van zijn onderneming op 30 juni 1992 een perceel landbouwgrond over van het ondernemingsvermogen naar het privévermogen. Het geschil betrof de vraag of en in hoeverre de geconstateerde boekwinst op die grond als bestemmingswijzigingswinst belastbaar is. Het hof oordeelde ten gunste van de erfgename van belanghebbende dat de waardestijging niet zonder meer aan belastingheffing onderworpen kon worden omdat niet aannemelijk was dat de waardestijging verband hield met een bestemmingswijziging die buiten het kader van het landbouwbedrijf viel.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor het aannemelijk maken van een causaal verband tussen de waardestijging en het buiten landbouw aanwenden van de grond op de inspecteur rust. Het hof heeft dit op juiste wijze beoordeeld en het oordeel van feitelijke aard is in cassatie niet toetsbaar. De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt daarmee het oordeel van het hof.
De uitspraak bevat uitgebreide overwegingen over de uitleg van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de landbouwvrijstelling, en de fiscale behandeling van waardeveranderingen van landbouwgrond bij staking van het bedrijf en overgang naar privévermogen. Ook wordt ingegaan op jurisprudentie en literatuur die het onderscheid tussen interne en externe bestemmingswijzigingen en de fiscale gevolgen daarvan toelichten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.