ECLI:NL:PHR:1998:AA2601
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardering goodwill bij inbreng praktijk in besloten vennootschap
De zaak betreft een geschil over de waardering van de goodwill die een oogarts inbracht in een besloten vennootschap (BV). De belanghebbende had zijn praktijk ingebracht in de BV, waarbij de goodwill werd vastgesteld op ƒ 1.000.000,-. De inspecteur stelde de waarde echter op maximaal ƒ 225.000,-. Het Hof stelde de inspecteur in het ongelijk en bevestigde de hogere waardering.
De discussie spitste zich toe op de vraag of de betaling van een derde voor toetreding tot een maatschap als referentie kon dienen voor de goodwillwaarde. De Hoge Raad oordeelde dat de transacties met de derde niet vergelijkbaar zijn met de inbreng in de BV, omdat aan de BV wel overwinstcapaciteit werd overgedragen, terwijl de derde slechts betaalde voor het recht om in het ziekenhuis te werken zonder overwinstcapaciteit.
De Hoge Raad benadrukte dat de waarde van goodwill de meerwaarde betreft die losstaat van persoonlijke kwaliteiten en dat de waarde in het economische verkeer leidend is. De inspecteur kon het beroep in cassatie niet winnen, en het middel werd verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal was om het beroep te verwerpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen en de waardering van de goodwill op ƒ 1.000.000,- bevestigd.