ECLI:NL:PHR:1998:ZD0987
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht verdachte om afstand te doen van rechtsbijstand tijdens zitting
In deze zaak was verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het bezit van een jachtgeweer met afgezaagde loop. Tijdens de behandeling in hoger beroep deed verdachte uitdrukkelijk en herhaaldelijk afstand van zijn recht op bijstand door zijn raadsman, waardoor het hof de zaak zonder diens aanwezigheid behandelde.
De verdediging stelde dat het hof had moeten onderzoeken waarom de raadsman afwezig was en dat het onderzoek heropend had moeten worden toen bleek dat de raadsman aanwezig had willen zijn. De Hoge Raad verwierp deze stellingen en benadrukte dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht van de verdachte op zelfverdediging of rechtsbijstand van eigen keuze erkent, maar ook de mogelijkheid biedt afstand te doen van die bijstand.
Het hof mocht op basis van het uitdrukkelijke verzoek van verdachte aannemen dat hij bewust afstand deed van zijn recht op rechtsbijstand. Er was geen aanwijzing dat verdachte misleid was of onder druk stond. Daarom was het hof niet verplicht om de zaak te schorsen of het onderzoek te heropenen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht aannam dat verdachte vrijwillig afstand deed van rechtsbijstand, waardoor het onderzoek niet hoefde te worden heropend.