ECLI:NL:PHR:1998:ZD7279

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 1998
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
3819
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 UitleveringsbesluitArt. 5 lid 4 EVRMArt. 9 UitleveringsverdragArt. 10 UitleveringsverdragArt. 95 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beschikkingen in uitleveringsprocedure

In deze zaak heeft de advocaat van verzoeker bij spoedverzoek cassatiemiddelen voorgesteld tegen twee beschikkingen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. De eerste beschikking betreft een verzoek aan de procureur-generaal om de Amerikaanse autoriteiten om aanvullend bewijsmateriaal en een terugleveringsgarantie te vragen. De tweede beschikking betreft de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige aanhouding van verzoeker.

De Hoge Raad stelt vast dat noch op grond van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba, noch op grond van enige andere wetsbepaling cassatieberoep openstaat tegen dergelijke beschikkingen. Dit geldt ook voor de beslissing die louter steunt op het EVRM en beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat cassatieberoep niet mogelijk is tegen adviezen of beslissingen in uitleveringszaken.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het aangevoerde verweer omtrent schending van fundamentele rechtsbeginselen, zoals het ontbreken van hoor en wederhoor, niet leidt tot doorbreking van het wettelijk appelverbod en dus niet tot ontvankelijkheid in cassatie. De conclusie is dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep tegen de bestreden beschikkingen.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep tegen de beschikkingen van het hof.

Conclusie

Nr. 3819 Besch.
Mr. van Dorst
Parket, 9 maart 1998
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
1. Mr. D.G. Kock, advocaat te Oranjestad (Aruba), heeft bij "spoedrequest", ingekomen per fax op 25 februari 1998, drie middelen van cassatie voorgesteld tegen de navolgende beschikkingen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, te weten
a. de beschikking van 31 januari 1998, welke is gegeven in het kader van de behandeling van het verzoek van de Verenigde Staten van Noord-Amerika tot uitlevering van [verzoeker] en waarin het hof de procureur-generaal heeft gevraagd om -kort gezegd- de Amerikaanse autoriteiten te verzoeken om aanvullend bewijsmateriaal en om een terugleveringsgarantie;
b. de beschikking van 20 februari 1998 waarbij het verzoek tot schorsing van de voorlopige aanhouding van [verzoeker] is afgewezen.
2. Ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat
- tegen beide beschikkingen cassatie is ingesteld (al heeft mr. Kock bij fax van 5 maart 1998 slechts een akte van cassatie inzake de beschikking van 31 januari 1998 toegezonden),
- alle door mr. Kock overlegde bescheiden, waaronder de teksten van de bestreden beschikkingen, gelijk zijn aan de stukken waarover het hof beschikte resp. welke door het hof zijn opgesteld,
kunnen de beroepen niet slagen.
Gelet op
1. voormelde uitkomst,
2. de door mr. Kock gewenste voortvarendheid,
3. de mogelijke ontregeling van de thans lopende uitleveringsprocedure als gevolg van de opzending van de dossiers (het hof heeft de zaak aangehouden tot 2 april 1998),
heb ik de griffie van het hof -vooralsnog- niet gevraagd om de (originele) stukken op te sturen ter verificatie van de juistheid van het thans aangevoerde.
3. In HR NJ 1995, 634 is beslist dat noch ingevolge het te dezen toepasselijke Uitleveringsbesluit noch ingevolge de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba noch ingevolge einge andere wetsbepaling cassatieberoep op de Hoge Raad openstaat tegen een advies of (eind)beslissing als bedoeld in art. 8 van Pro evengenoemd besluit.
Zulks geldt te meer voor een (tussen)beslissing als sub a. vermeld.
Ook tegen de -bij gebreke van een uitdrukkelijke wettelijke voorziening- louter op art. 5 lid 4 EVRM Pro en op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit steunende beslissing van het hof inzake het verzoek tot schorsing van de voorlopige aanhouding, zoals vermeld sub b, voorziet geen wetsbepaling in cassatieberoep op de Hoge Raad.
4. [Verzoeker] is derhalve niet-ontvankelijk in zijn (veronderstelde) beroep tegen beide (veronderstelde) beschikkingen.
5. Het in de schriftuur gestelde kan daaraan niet afdoen:
-- het primair aangevoerde niet, reeds omdat geen van de bestreden beslissingen een rechterlijk advies als bedoeld in art. 8 van Pro genoemd Besluit behelst, zodat alleen al om die reden (nog) geen sprake is van een handeling in de zin van artt. 95 en 99 RO zoals door de raadsman is bedoeld. Overigens heeft mijn voormalige ambtgenoot mr. Meijers in zijn conclusie bij evengemeld arrest reeds aangegeven dat de Hoge Raad op grond van genoemde Cassatieregeling (ook) niet bevoegd is om kennis te nemen van een eis tot cassatie tegen enige handeling van de rechter in uitleveringszaken.
-- het subsidiair aangevoerde niet, reeds omdat de schending van fundamentele rechtsbeginselen door de rechter, met name de verwaarlozing van het principe van hoor en wederhoor, weliswaar volgens de rechtspraak van de Hoge Raad kan leiden tot doorbreking van het wettelijk appelverbod (in civiele rekestzaken: vgl. Snijders/Wendels, Civiel appel, blz. 114-116), doch zonder nadere voorziening van de Rijkswetgever niet tot de creatie van rechtsmacht van de Hoge Raad in zaken als onderhavige.
Het wil mij trouwens voorkomen dat het aangevoerde
-het hof zou met zijn verzoek aan de PG inzake het verkrijgen van aanvullend bewijsmateriaal en met zijn kennisneming van het inmiddels langs niet-diplomatieke weg verzonden materiaal, hebben gehandeld in strijd met artt. 9 en 10 van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS-
niet kan worden aangemerkt als of op één lijn kan worden gesteld met verontachzaming van een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, hetgeen voor doorbreking van het wettelijk appelverbod in civiele rekestzaken vereist is.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn (veronderstelde) cassatieberoep tegen beide beschikkingen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden