ECLI:NL:PHR:1999:AA2704
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelastingheffing over winstuitdeling via certificaten bij coöperatie
In deze zaak staat centraal of bij de berekening van de belastbare winst van een coöperatie voor de vennootschapsbelasting een bedrag in mindering gebracht mag worden dat verband houdt met de uitgifte en volstorting van certificaten aan haar leden.
De belanghebbende, een coöperatieve vereniging, had aan haar leden certificaten uitgegeven waarbij zij de stortingsverplichting van de leden voor haar rekening nam. Dit leidde tot een vermogensverschuiving binnen de coöperatie, waarbij het vermogen niet daadwerkelijk afnam, maar werd verplaatst van de winstsfeer naar de kapitaalsfeer. Het hof had geoordeeld dat dit wel degelijk een winstuitdeling was waarop artikel 9, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing was.
De Staatssecretaris van Financiën stelde in cassatie dat het begrip uitdeling een materiële inhoud heeft en alleen daadwerkelijke uitkeringen die leiden tot verarming van de coöperatie omvat. Volgens hem was hier geen sprake van een uitdeling, omdat de coöperatie niet verarmde en de certificaten deel uitmaken van het eigen vermogen.
De Hoge Raad volgt deze visie en vernietigt het bestreden arrest. De uitgifte van certificaten waarbij de coöperatie de stortingsverplichting van de leden nakomt, vormt geen winstuitdeling in de zin van de wet, omdat het vermogen van de coöperatie niet daadwerkelijk wordt verminderd. Hierdoor is aftrek van het bedrag in de winstberekening niet toegestaan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en bevestigt dat de uitgifte van certificaten geen aftrekbare winstuitdeling vormt.