ECLI:NL:PHR:1999:AA2727
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale eenheid en toepassing omzetbelastingvrijstelling bij overdracht begrafenisactiviteiten
In deze zaak staat centraal of X B.V., als houdstermaatschappij binnen een fiscale eenheid, als ondernemer kan worden aangemerkt en of de overdracht van haar begrafenisactiviteiten aan een derde onder de omzetbelastingvrijstelling valt. X B.V. vormde in 1991 een fiscale eenheid met meerdere vennootschappen die zich bezighielden met vervoer en begrafenisactiviteiten. Zij verkocht in 1991 haar rouwcentrum en andere begrafenisgerelateerde activa aan een derde, die de activiteiten voortzette.
De Inspecteur legde naheffingsaanslagen omzetbelasting op, stellende dat de verkoop binnen de herzieningsperiode viel. Het Hof oordeelde dat X B.V. zich als beleidsbepalende en sturende houdstermaatschappij gedroeg en als ondernemer moest worden beschouwd. Tevens oordeelde het Hof dat de overdracht een algemeenheid van goederen vormde, waardoor de omzetbelastingvrijstelling van toepassing was.
De Staatssecretaris stelde in cassatie onder meer dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd dat X B.V. als ondernemer optrad en dat de overdracht ten onrechte als een algemeenheid van goederen was aangemerkt. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde het ondernemerschap van X B.V. binnen de fiscale eenheid en de toepassing van de omzetbelastingvrijstelling bij overdracht van de begrafenisactiviteiten.
De Hoge Raad benadrukte dat een houdstermaatschappij zonder vergunningen toch het beleid en beheer van dochtervennootschappen kan sturen en dat de onderlinge verwevenheid in financieel, organisatorisch en economisch opzicht bepalend is voor de fiscale eenheid. Ook werd bevestigd dat de overdracht van een samenhangende algemeenheid van goederen en rechten aan degene die de onderneming voortzet, niet belast is met omzetbelasting.
De conclusie van de Procureur-Generaal luidde tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het Hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.