Art. 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 10 Besluit op de Inkomstenbelasting 1941Art. 7 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 9 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 13 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad arrest over waardering en aftrekbaarheid van winstafhankelijke betalingen bij verwerving deelneming en management service fees
De zaak betreft een cassatieberoep van X B.V. tegen het arrest van het Hof Amsterdam van 3 december 1997 over de fiscale behandeling van de aankoop van aandelen in Reclamebureau BV en de aftrekbaarheid van management service fees.
De belanghebbende had in 1988 aandelen gekocht met een vaste en een winstafhankelijke koopprijs (earn-out). Het Hof had de volledige nabetalingen tot de kostprijs van de deelneming gerekend, ondanks onzekerheid over de waarde daarvan bij aankoop. Ook wees het Hof de aftrek van management service fees af, omdat geen zakelijke tegenprestatie was geleverd en de kosten pas in 1995 waren overeengekomen.
De Hoge Raad oordeelt dat bij de aankoop van een deelneming met winstafhankelijke betalingen de contante waarde van de verplichtingen bij aankoop moet worden geschat en opgenomen in de kostprijs. Latere waardeveranderingen behoren niet tot de deelnemingsvrijstelling maar tot de winst. Het Hof had onvoldoende vastgesteld welke waarde de verplichtingen hadden bij aankoop en moet dit nader onderzoeken.
Ten aanzien van de management service fees bevestigt de Hoge Raad dat het Hof een feitelijke afweging heeft gemaakt over de zakelijke aard en het tijdstip van de kosten, en dat het Hof het laatste woord heeft. Het beroep wordt verworpen voor zover het de fees betreft.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de waardering van de winstafhankelijke betalingen betreft en verwijst de zaak terug naar het Hof voor nadere feitenvaststelling en heroverweging. De overige klachten worden afgewezen.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd voor zover het de waardering van winstafhankelijke betalingen betreft en de zaak wordt terugverwezen voor nadere feitenvaststelling.
Conclusie
Nr. 33.996 Mr Van Soest
Derde Kamer A Conclusie inzake:
Vennootschapsbelasting 1990 X B.V.
Parket, 29 januari 1999 tegen
de staatssecretaris van Financiën
Edelhoogachtbaar College,
1. Korte beschrijving van de zaak.
1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke
uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen
het Hof) van 3 december 1997, nr. P96/4527. Het is ingesteld
door de belanghebbende, X B.V. Van het beroep in cassatie is
melding gemaakt in Vakstudie Nieuws 30 juli 1998, afl. 36,
blz. 3048, punt 1.2.
1.2. De belanghebbende behoort tot het concern van de in het
Verenigd Koninkrijk gevestigde A plc (hierna te noemen de
moeder), maar behartigde tot en met 1987 geen activiteiten.
1.3. In 1987 verwierf de moeder het belang in de te R (Ver
enigde Staten van Amerika) gevestigde B Company (hierna te
noemen Advertising) en daarmee middellijk alle aandelen in de
in Nederland gevestigde dochtermaatschappij van Advertising,
te weten C B.V. (hierna te noemen Advertising BV), die in
Nederland een reclamebureau dreef.
1.4. Nadat nog in 1987 daartoe strekkende onderhandelingen waren
geopend, heeft de belanghebbende op 24 mei 1988 de aandelen in
E B.V. (hierna te noemen Reclamebureau BV) gekocht voor een op
die datum te betalen prijs van ƒ 60 miljoen, te vermeerderen
met in volgende jaren, afhankelijk van de in de jaren tot en
met 1992 te behalen winsten, te verrichten betalingen tot
maximaal ƒ 75 miljoen. Verder (ik citeer de bestreden
uitspraak, onder 2.7, blz. 5)
"(...) is in de koopovereenkomst bepaald - dat de kopers
er voor zullen zorgen dat Reclamebureau B.V. tot tenmin
ste 31 december 1992 "shall be operated on a day to day
basis as an autonomous group of companies" onder leiding
van het oude management (...). - dat de verkopers van de
aandelen Reclamebureau B.V. gedurende zeven jaren niet
"either on his own account or in conjunction with
behalf of any person, carry on, be engaged, concerned or
interested in carrying on any business" die in concurren
tie treedt met de overgenomen vennootschap (...)"
1.5. Tevens werden de aandelen in Advertising BV voor ƒ 1,-
overgedragen aan Reclamebureau BV.
1.6. De aandelen in Reclamebureau BV zijn door de desbetref
fende verkopers in 1988 aan de belanghebbende geleverd.
1.7. Met ingang van 1 januari 1989 vormt de belanghebbende met
Reclamebureau BV en Advertising BV een fiscale eenheid voor de
heffing van vennootschapsbelasting.
1.8. Uit hoofde van het beding van de winstafhankelijke toebe
taling heeft de belanghebbende in 1989 en in 1990 telkens
ƒ 3.400.000,- aan de verkopers betaald. Uiteindelijk is in totaal
het maximale bedrag van
ƒ (60.000.000 + 75.000.000 =) 135.000.000,- door de belangheb
bende betaald.
1.9. In 1995 zijn de moeder en de belanghebbende het erover
eens geworden dat over 1988 tot en met 1992 management service
fees zouden worden betaald aan Advertising en B Ltd. (hierna
te noemen Advertising Ltd.).
1.10. In geschil is of voor de heffing ten laste van de be
langhebbende van vennootschapsbelasting 1990 (ik onderscheid
de geschilpunten met behulp van de kleine letters, door het
Hof, onder 3, blz. 11, gebruikt) (a + b) ter zake van de
aankoop van de aandelen in Reclamebureau BV een bedrag ten
laste van de winst gebracht behoort te worden; (c) management
service fees ten laste van de winst gebracht behoren te wor
den.
1.11. Het Hof heeft het geschil in beide opzichten in het
nadeel van de belanghebbende beslecht.
1.12. Het beroep in cassatie is in overeenstemming met de
desbetreffende voorschriften ingesteld. Het steunt op zes, met
Arabische cijfers genummerde, middelen van cassatie, waarvan
middel 1 uit twee, met hoofdletters aangeduide, middel 2 uit
vier, met Arabische cijfers genummerde, en middel 4 uit zeven,
met Arabische cijfers genummerde, onderdelen bestaat en waar
van middelonderdeel 1A uit zes, met hoofdletters aangeduide,
subonderdelen bestaat.
1.13. De staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de
Staatssecretaris) heeft bij vertoogschrift in cassatie de
middelen bestreden.
1.14. De zaak is op 2 december 1998 voor de belanghebbende be
pleit door prof. mr Ch. J. Langereis, advocaat te Amsterdam.
1.15. Min of meer verwante zaken, betreffende andere belasting
plichtigen, zijn bij Uw Raad aanhangig onder nrs. 33.122 en
33.221. In die zaken nam ik conclusie op 1 december 1998. Van
de conclusies is melding gemaakt in Fiscaal up to date (Futd)
29 december 1998, blz. 43<(1)Vakstudie Nieuws 31 december 1998, blz. 5124, punt 1.3,
onderscheidenlijk blz. 5132, punt 1.7.>.
2. Onzekere elementen bij vervreemding en verkrijging van
vermogensbestanddelen.
2.1. HR 25 november 1942, Beslissingen in belastingzaken (B.)
7578, blz. 683, overwoog voor de toepassing van het Besluit op
de Winstbelasting 1940,
"(...) dat de raad van beroep, die uit (...) de (...)
statuten van belanghebbende heeft kunnen afleiden, dat de
verplichtingen van belanghebbende tegenover de houders
der (...) winstbewijzen (...) slechts verplichtingen
(...) zijn met betrekking tot de verdeeling van de door
belanghebbende te maken winst, op dien grond terecht
heeft beslist, dat bedoelde verplichtingen niet behooren
tot de schulden, welke bij de vaststelling van het vermo
gen van belanghebbende als passiva in aanmerking mogen
worden genomen; dat (...) niet (...) de omstandigheid,
dat (...) de uitgifte de bedongen tegenpraestatie zou
zijn van aan belanghebbende overgedragen activa, zou
kunnen meebrengen, dat (...) zich een schuld aan de
houders der winstbewijzen zou voordoen (...)"
2.2. Art. 10 BesluitPro op de Inkomstenbelasting 1941 (Besluit IB
1941), oorspronkelijke tekst, hield in (ik nummer waar daar
aanleiding toe is, de volzinnen):
"1. Bij het berekenen van het (...) bedrijfs- of beroeps
vermogen (...) worden de activa en passiva in aanmerking
genomen (...) volgens goed koopmansgebruik, met inachtne
ming van hetgeen in de volgende leden is bepaald. 2. (1e
volzin) De activa worden ten minste op de werkelijke
aanschaffings- en voortbrengingskosten gewaardeerd. (3e
volzin) Waardeering op een lager bedrag (...) is (...)
geoorloofd, voor zoover en zoolang de bedrijfswaarde
(...) lager is. (...)"
2.3. HR 23 januari 1952, B. 9156, blz. 764, overwoog voor de
heffing van inkomstenbelasting 1947,
"(...) dat (...) zolang de goedkeuring van het Prijzenbu
reau niet was verkregen, nog onzekerheid bleef bestaan
omtrent de vraag of en, zo ja, tegen welken prijs de
overdracht uiteindelijk haar beslag zou krijgen; dat bij
deze onzekerheid goed koopmansgebruik er niet toe dwong
de overdrachtswinst reeds in aanmerking te nemen als in
het boekjaar 1946-1947 genoten, doch het met goed koop
mansgebruik zeer wel verenigbaar was bedoelde winst toe
te rekenen aan het boekjaar, waarin de overeenkomst tot
overdracht door de goedkeuring van het Prijzenbureau de
door partijen gewilde werking kon teweegbrengen (...)"
2.4. HR 26 maart 1952, B. 9207, blz. 25, overwoog,
"(...) dat de (...) overeenkomst van koop en verkoop van
de (...) dokterswoning is gesloten onder (...) voorwaar
den [en] van deze voorwaarden er op 31 December 1948 nog
geen in vervulling was gegaan; dat moge nu al (...) op
evengenoemden datum een redelijke kans aanwezig zijn
geweest, dat voormelde voorwaarden zouden worden vervuld,
toch zolang haar vervulling niet vaststond, onzekerheid
bleef bestaan omtrent de vraag of de overdracht van de
dokterswoning tegen den overeengekomen prijs inderdaad
haar beslag zou krijgen; dat bij die onzekerheid goed
koopmansgebruik stellig toeliet de uit de overeenkomst
voortvloeiende voorwaardelijke aanspraken bij de bereke
ning van de winst over het jaar 1948 niet in aanmerking
te nemen en eerst de vervulling der voorwaarden af te
wachten alvorens een voordeel, gelegen in den verkoop
tegen den bedongen prijs, in rekening te brengen (...)"
2.5. Ingevolge de Wet Belastingherziening 1950 werd art. 10
Besluit IB 1941 vervangen door art. 7, lid 1, Besluit IB 1941,
inhoudend:
"De jaarlijkse winst wordt bepaald volgens goed koopmans
gebruik (...)"
2.6. C. J. Sleddering, Weekblad der Belastingen (WdB) 1952/
4105, blz. 304, betoogt:
"(...) Een variatie op de overdracht tegen een lijfrente
is de overdracht tegen een aandeel in de winst. Over
dracht uitsluitend tegen zulk een recht zal zich niet
licht voordoen omdat weinig mensen bereid zullen zijn
tastbare zaken af te staan tegen een zwevend winstrecht.
Gemakkelijker kan men zich voorstellen dat de tastbare
zaken tegen contanten worden afgerekend en dat voor de
goodwill van het bedrijf een recht op een aandeel in de
winst gedurende enige jaren of tot een bepaald bedrag
wordt bedongen. (...) De omstandigheid dat gedurende
enige jaren een gedeelte van de winst moet worden afge
staan vermindert de goodwill van het overgenomen bedrijf
voor de koper. Derhalve niet enerzijds goodwill opnemen
en anderzijds een verplichting tot uitkering van het
winstaandeel, maar rechtstreeks geen goodwill opnemen of
een lagere goodwill. Het is als het ware zo dat de oude
eigenaar het profijt van de aanwezige, doch afnemende,
goodwill voor zich reserveert. Het is bovendien de vraag
of het passiveren van een recht op een aandeel in toekom
stige winst met goed koopmansgebruik in overeenstemming
is, terwijl de schatting ook nog enige zorgen kan baren.
(...)"
2.7. J. A. Fray, WdB 1954/4214, blz. 374, betoogt:
"(...) Wat moet (...) een zaak doen, als zij een huis
koopt tegen afgifte van een recht op een winstaandeel?
Het zal geen goed koopmansgebruik zijn het huis niet voor
de geldswaarde op de balans op te voeren. Men zal dàn
echter moeten toelaten een passiveren van een gelijk
bedrag als contante waarde van toekomstige winstuitdelin
gen. Deze creditpost zal de neiging hebben in de loop der
jaren kleiner te worden door de aflossingen, die er op
plaats vinden uit de in de toekomst te maken winst. In
wezen drukken die aflossingen, die winstuitdelingen, dan
de toekomstige winsten niet! Terecht, want het moet
onverschillig zijn of men de geldswaarde ineens als
koopsom betaalt, dan wel in termijnen, en onverschillig
of deze termijnen uitmaken vaste bedragen of bestaan uit
bedragen van wisselende grootte. (...) Indien men (...)
een goodwill koopt, kan het geen goed koopmansgebruik
zijn de aangegane verplichtingen niet in de boekhouding
te verwerken. (...) Slechts als men goodwill zou verwer
ven tegen een recht van gelijke aard, tegen een aandeel
in de winst, zou men beide posten moeten, of zeker kun
nen, laten wegvallen. (...)"
2.8. HR 10 april 1957, nr. 13.104, BNB 1957/266 met noot M. A.
Wisselink, onder 1<(2)De nummering is, naar ik vermoed, van Wisselink. Uw
Raad nummerde de overwegingen van de arresten toen nog
niet.>, blz. 682, regels 34-39, overwoog,
"dat, indien bij de overdracht van een bedrijf (...) een
contraprestatie wordt bedongen, bestaande in een recht op
uitkering van een bepaald gedeelte van de met het bedrijf
(...) door den koper te verwerven inkomsten, goed koop
mansgebruik toelaat de winst tot uitdrukking te doen
komen naar gelang deze in de uitkeringen wordt ontvangen
(...)"
2.9. HR 26 juni 1957, nr. 13.218, BNB 1957/245 met noot J.
Hollander, overwoog (ik geef nadere vindplaatsen tussen haak
jes aan),
"(blz. 634, van regel 39 af) dat een bijdrage als bedoeld
in artikel 72 [Wet op de Materiële Oorlogsschaden] het
karakter heeft van een bijdrage in de bouwkosten, die
voor de winstberekening op die bouwkosten in aftrek moet
worden gebracht; dat zolang die bijdrage niet is verkre
gen, dan wel zolang goed koopmansgebruik niet vergt de
waarde van het recht op die bijdrage hoger te stellen dan
nihil, er geen aanleiding bestaat op de werkelijk gemaak
te bouwkosten enig bedrag in aftrek te brengen (...); dat
in het jaar, waarin de bijdrage verkregen wordt dan wel
de aanspraak er op hoger dan nihil gewaardeerd moet
worden, met het hierboven omschreven karakter dier bij
drage bij de berekening van de winst van dat jaar (...)
rekening gehouden moet worden; (blz. 635, regels 5-11)
dat (...) het recht op verkrijging van de bijdrage naar
goed koopmansgebruik op 1 Januari 1953 op nihil en op 16
Februari 1953, de laatste dag van het (...) korte (...)
boekjaar van belanghebbende, op f 11.389 te schatten was;
dat de Raad van Beroep derhalve terecht dit bedrag bij de
winstberekening van het (...) boekjaar in aanmerking nam
(...)"
2.10. Th. S. IJsselmuiden, De fiscale balans, 1963<(3)Het jaartal is niet in het boek vermeld, maar het kan
uit de vakliteratuur, met name J. J. Hof, Maandblad
voor Belastingrecht, januari 1964, blz. 54, opgemaakt
worden.>, hoofdstuk III, onder 1, betoogt:
"(blz. 104) (...) Om een voorziening in de fiscale balans
te treffen moeten de risico's, lasten, verliezen en
uitgaven, beoordeeld naar de gegevens op de balansdatum,
zijn: a. naar aard bepaald; b. naar omvang en tijd ge
noegzaam meetbaar; c. waarschijnlijk; d. veroorzaakt door
de bedrijfsuitoefening van het jaar ten laste waarvan de
voorziening wordt gevormd. (...) (blz. 105) (...) b. Naar
omvang en tijd voldoende meetbaar (...) (blz. 111) (...)
Een vraag waarover in de literatuur (...) verschillend
wordt gedacht laat zich na het bovenstaande met stellig
heid beantwoorden. Het is deze of verwerving van een
actief tegen de verplichting om een deel der toekomstige
winsten af te staan, reden geeft de getaxeerde waarde te
passiveren. Naar haar aard is een dergelijke verplichting
niet voor taxatie vatbaar, zodat ook voor het treffen van
een voorziening geen plaats is (...) Hoe moeten wij nu
het actief boeken waarvoor de verplichting tot winstaf
dracht als contraprestatie strekt? Gewoonlijk worden
tegen een dergelijke koopprijs zaken gekocht welker
waarde - de indirecte opbrengstwaarde - moeilijk bepaal
baar is: goodwill, uitvindingen. De aanschaffingsprijs is
dan mijns inziens gelijk aan de som der winstuitkeringen.
Volgens goed koopmans- (blz. 112) gebruik wordt niets
geactiveerd. (...) Denkbaar is, hoewel dit zelden zal
voorkomen, dat men op deze wijze een bedrijfsmiddel koopt
dat wél een taxeerbare vervangingswaarde heeft. Ik zou
deze situatie niet anders behandelen dan de vorige. Men
kan echter ook de vervangingswaarde activeren en eenzelf
de bedrag passiveren. (...)"
2.11. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 houdt in:
"(...) Art. 7. Winst is het bedrag van de (...) voordelen
die (...) worden verkregen uit onderneming. (...) Art. 9.
De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald vol
gens goed koopmansgebruik (...)"
2.12. De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb. 1969)
houdt in de tot 29 april 1990 geldende tekst in:
"(...) Art. 8. 1. De winst wordt opgevat en bepaald
voet van de artikelen 7 [en] 9 (...) van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (...) Art. 13. 1. Ingeval de
belastingplichtige (...) een deelneming heeft (...) in
een vennootschap (...), blijven voordelen uit hoofde van
die deelneming (...) bij het bepalen van de winst buiten
aanmerking. (...) 4. Kosten welke verband houden met de
deelneming (...) komen slechts in aftrek indien en voor
zover (...) zij middellijk dienstbaar zijn aan het beha
len van binnen het Rijk belastbare winst. 5. (1e volzin)
Het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van het
verlies op een deelneming (...), dat tot uitdrukking
komt, nadat de vennootschap (...) is ontbonden. (2e
volzin) Zodanig verlies wordt gesteld op het bedrag
waarmede het voor de verkrijging van de deelneming (...)
opgeofferde bedrag het totaal van de liquidatie-uitkerin
gen overtreft. (...)"
2.13. HR 2 februari 1972, nr. 16.678, BNB 1972/83, betrof de
heffing van inkomstenbelasting.
2.13.1. Hof Arnhem 7 juli 1971, onder 9, blz. 300, regels 17-
21, overwoog ter bepaling van door vervreemding van aandelen gerealiseerde inkomsten uit arbeid,
"dat, nu [de] verkrijgingsprijs bestaat uit een lijfren
teverplichting, de waarde van de verkrijgingsprijs (...)
gelijk is aan de koopsom, die ter verwerving van die
(...) lijfrente zou moeten worden betaald aan een levens
verzekeringsmaatschappij, echter verminderd met de opslag
voor kosten en winst (...)"
2.13.2. Uw Raad vernietigde de uitspraak op een grond die de zojuist
geciteerde overweging niet raakte.
2.14. HR 24 september 1975, nr. 17.612, met mijn conclusie,
BNB 1976/184 met noot H. J. Hofstra, betrof de heffing van ven
nootschapsbelasting 1969.
2.14.1. Uw Raad, blz. 753, regels 7-9, overwoog,
"dat het Hof (...), niet aannemelijk oordelende dat
bedrijfswaarde van de aandelen in 1969 beneden de kost
prijs is gedaald, terecht heeft beslist dat een waarde
ring van de deelnemingen beneden kostprijs niet aanvaard
baar is (...)"
2.14.2. Hofstra, regels 33-37, annoteerde:
"(...) de beslissing (...) bevestigt de (...) leer dat
kostprijs van een bedrijfsmiddel alles omvat wat voor de
verkrijging daarvan werd uitgegeven en dat de bedrijfs
waarde ten minste gelijk is aan de betaalde verkrijgings
prijs zolang niet van bijzondere omstandigheden blijkt.
(...)"
2.15. HR 12 september 1979, nr. 19.357, BNB 1979/271<(4)De eindbeslissing is Hof 's-Gravenhage, Tweede Meerv.
Belastingk., 26 januari 1981, nr. 124/1980, BNB
1982/119.>, blz. 1369, regels 15-25, overwoog,
"dat het Hof (...) heeft geoordeeld dat het bedrag (...)
is aan te merken als vergoeding van rente wegens het
schuldig zijn van de koopsom van 1 januari tot 14 juli
1972; dat echter het Hof heeft vastgesteld dat de koop
overeenkomst is gesloten op 14 juni 1972; dat weliswaar
partijen bij een overeenkomst verplichtingen op zich
kunnen nemen die worden bepaald door hetgeen vóór het tot
stand komen van de overeenkomst is geschied, doch dit
niet meebrengt dat partijen ook voordien waren gebonden;
dat derhalve het Hof er ten onrechte van is uitgegaan dat
de koopsom reeds op 1 januari 1972 verschuldigd was
(...)"
2.16. HR 19 december 1979, nr. 19.597, BNB 1980/46 met noot P.
den Boer<(5)Vakstudie Nieuws 2 februari 1980, blz. 158, punt 20;
Weekblad voor privaatrecht, notariaat en registratie
(WPNR) 1986/5786, blz. 379, onder 7, b met noot O.
Netze.>.
2.16.1. Uw Raad, blz. 205, regels 4-21, overwoog,
"dat (...) de aandelen (...) door belanghebbende zijn
aangekocht voor een prijs van f 1.200.000, van welk
bedrag op 31 juli 1973 de helft is voldaan, en (...)
f 500.000 na één jaar en f 100.000 na twee jaren zal
worden voldaan; dat de aldus voor belanghebbende ontstane
- mede de kostprijs van de verkregen deelneming bepalende
- schuld moet worden gewaardeerd volgens goed koopmansge
bruik; dat goed koopmansgebruik toestaat bij de waarde
ring van een schuld die, zoals in casu, zonder dat rente
verschuldigd is eerst op termijn moet worden voldaan,
rekening te houden met het feit dat de contante waarde
daarvan geringer is dan het nominale bedrag; dat het
(...) oordeel dat in belanghebbendes boekingswijze -
waarbij de schuld per 31 juli 1973 en per 31 december
1973 werd gewaardeerd op respectievelijk f 516.839 en
f 540.097 -<(6)Dat dit gedachtestreepje in BNB ontbreekt, is blijkens
de mij ambtshalve bekende oorspronkelijke tekst van het
arrest een drukfout. > sprake is van rente, opgeofferd voor de
verwerving van de deelneming, in strijd is met het (...)
feit dat belanghebbende de deelneming reeds op 31 juli
1973 verwierf (...)"
2.16.2. Den Boer, onder 1, blz. 205, regels 31-35, annoteerde:
"De kostprijs van een activum, dus ook van een deelne
ming, zal in het algemeen gesteld moeten worden op het
geen daarvoor opgeofferd is. Indien het opgeofferde
bedrag geheel of ten dele bestaat uit een schuldverplich
ting zal (...) de waardering van die schuldverplichting
mede bepalend zijn voor de activering van de deelneming.
(...)"
2.16.3. Vakstudie Nieuws, blz. 162, annoteerde:
"(...) Wij zien (...) niet in dat uitgaven gedaan na<(7)Cursivering van Vakstudie Nieuws.>
verwerving van een zaak niet het karakter van verwer
vingskosten kunnen hebben, te meer nu ten tijde van de
verwerving hierover tussen partijen afspraken zijn ge
maakt. (...)"
2.16.4. Netze, blz. 380, annoteerde:
"(...) Het belang voor de koopster was evident: wanneer
belanghebbende, koopster, gelijk kreeg zouden in eerste
instantie weliswaar zowel de koopsom voor de deelneming
als de schuld uit de koopovereenkomst op de contante
waarde zijn gesteld, maar zou in de toekomst, door het
toenemen van de schuld van contante waarde naar nominale
waarde een fiscaal aftrekbare last ontstaan. (...) Uit
dit arrest blijkt wederom dat het voor de bepaling van de
kostprijs van een deelneming nodig is zorgvuldig na te
gaan welk bedrag de koper heeft geofferd voor de verwer
ving. Indien goed koopmansgebruik toestaat (of noopt) een
ter gelegenheid van de aankoop van de deelneming - of
welk ander activum ook - aangegane verplichting op een
ander bedrag te waarderen dan de nominale waarde, bepaalt
dit mede de kostprijs en daarmee - in eerste aanleg - de
fiscale boekwaarde van de deelneming. (...)"
2.17. Art. 2:374, lid 1, Burgerlijk Wetboek houdt in:
"Op de balans worden voorzieningen opgenomen tegen:
verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de
balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schat
ten; b. op de balansdatum bestaande risico's ter zake van
bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waar
van de omvang redelijkerwijs is te schatten; (...)"
2.18. HR 20 april 1988, nr. 24.533, BNB 1988/232 met noot G.
Slot, blz. 1450, regels 27-53, overwoog:
"4.1. Het Hof heeft vastgesteld (...): 1. dat B N.V.
(...) op 21 december 1979 een interim-dividend van
US $ 20 miljoen betaalbaar heeft gesteld, (...) 3. dat B
bij brief van 28 december 1979 belanghebbende van de
betaalbaarstelling van het dividend in kennis heeft
gesteld, met het verzoek om, op grond van gebrek aan
liquide middelen de betaling te mogen uitstellen tot
uiterlijk 31 december 1980, en 4. dat zij op 22 december
1980 tot betaling van het dividend aan belanghebbende is
overgegaan. 4.2. Onder deze omstandigheden was belangheb
bende naar goed koopmansgebruik gehouden haar vordering
op B ter zake van het door deze betaalbaar gestelde
dividend op haar balans per 31 december 1979 te active
ren. Dit zou slechts anders zijn ingeval zodanige belet
selen voor betaling zouden hebben bestaan dat alstoen
onzeker moest worden geacht of betaling te eniger tijd
plaats zou vinden. (...) 4.4. Het hiervoor overwogene
brengt mee dat de door belanghebbende in het tijdvak van
1 januari 1980 tot 22 december 1980 (...) gemaakte koers
winst (...) is behaald op een vordering en derhalve niet
kan gelden als een voordeel uit hoofde van een deelne
ming. (...)"
2.19. HR 19 oktober 1988, nr. 25.425, met conclusie van de
toenmalige advocaat-generaal Verburg, BNB 1989/43 met noot
Slot<(8)FED 1989/128 met noot D. Juch; WPNR 1990/5958, blz.
275, onder 5, f met noot Netze.>, onder 4.2, blz. 267, regels 11-29, overwoog:
"Op grond van de (...) wetsgeschiedenis moet worden
aangenomen dat de wetgever met betrekking tot binnenland
se deelnemingen uitdrukkelijk heeft gekozen voor een
bruto-vrijstelling, welke vrijstelling zich niet beperkt
tot de (...) financierings- en beheerskosten. Voorts
maakt de ontstaansgeschiedenis van het huidige artikel
13, lid 4 (...) duidelijk dat uit de bewoordingen van
deze bepaling geenszins mag worden afgeleid dat de wetge
ver beoogd heeft daarmede de aftrek van kosten die met
een binnenlandse deelneming verband houden, op enigerlei
wijze te beperken. Het is derhalve in strijd met de uit
de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever
om in een geval als het onderhavige, waarin niet van een
buitenlandse deelneming sprake is, op grond van artikel
13, lid 4, aan de deelnemende vennootschap het recht te
ontzeggen ter zake van de verkoop van haar deelneming
gemaakte kosten ten laste van haar winst te brengen.
Hieraan kan niet afdoen dat (...) in het algemeen onder
een "voordeel" uit hoofde van een verkoop van een vermo
gensbestanddeel het saldo van opbrengst en verkoopkosten
pleegt te worden verstaan. In het licht van de wetsge
schiedenis dient in geval van verkoop van een deelneming
het begrip "voordeel" in artikel 13, lid 1, aldus te
worden opgevat dat de kosten van die verkoop niet op de