AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling toepassing waarderingsfaciliteit bij successierecht en verrekenbeding in testament
Deze zaak betreft de toepassing van de waarderingsfaciliteit bij de heffing van successierecht over een land- en tuinbouwbedrijf dat via een testament is gelegateerd met een verrekenbeding. Belanghebbende was werkzaam op het bedrijf en kreeg het bedrijf gelegateerd onder de verplichting een eventuele netto-meeropbrengst bij vervreemding binnen twintig jaar aan erfgenamen af te staan. De erfgenamen deden in 1993 afstand van hun rechten op deze meeropbrengst tegen betaling van een afkoopsom.
Het hof had geoordeeld dat het verrekenbeding op zich de toepassing van de waarderingsfaciliteit niet verhindert, maar dat de afkoop ervan wel de faciliteit uitsluit omdat de erfgenamen voor hun onderlinge verhouding van een hogere waarde uitgingen. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitleg.
De conclusie van de Advocaat-Generaal stelt dat het verrekenbeding als zodanig de faciliteit niet in de weg staat en dat het hof ten onrechte de afkoop als uitsluitingsgrond heeft gezien. De heffing van successierecht moet aansluiten bij de situatie na vervulling van de voorwaarde, waarbij de erfgenamen belast worden voor de meerwaarde die zij ontvangen. De afkoop leidt niet tot een wijziging in de verkrijging van de legataris die tot een bijtelling of aftrek leidt. De conclusie adviseert vernietiging van het hofarrest, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt gegrond verklaard en het arrest van het hof, de uitspraak op bezwaar en de aanslag worden vernietigd.
Conclusie
Nr. 34.210 Mr Moltmaker
Derde Kamer B Conclusie inzake:
Successierecht X
tegen
Parket, 2 maart 1999 DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN
Edelhoogachtbaar College,
1 Feiten en geschil<(1) Deze zaak is als lopende procedure bij de Hoge Raad vermeld in V-N 1997, blz.
4756, punt 1.3.
>
1.1 Voor de feiten verwijs ik in de eerste plaats naar het arrest
van de Hoge Raad van 26 maart 1997, nr. 30.454, BNB 1997/186*,
m.nt. J. W. Zwemmer, FED 1997/422 m.nt. J. A. Smit, PW 20797.
Belanghebbende was in loondienst werkzaam op het
veehoudersbedrijf van erflaatster. Erflaatster heeft aan
belanghebbende het volledige bedrijf gelegateerd onder de
verplichting de waarde (in verpachte staat en zonder de waarde
van het melkquotum) van het gelegateerde aan de erfgenamen uit
te keren.
Aan het legaat was de verplichting verbonden om bij
vervreemding binnen twintig jaar van de eventueel alsdan
verkregen "netto-meeropbrengst" een gedeelte af te staan aan de
erfgenamen (hierna aangeduid als "het verrekenbeding").
Op 8 juli 1993 hebben de beide erfgenamen afstand gedaan van
hun rechten op de hiervóór bedoelde "netto-meeropbrengst". Zij
verkregen hiervoor van belanghebbende ieder ƒ 50.000,--.
1.2 Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de waarde in het
economische verkeer vrij van pacht van de boerderij met inbegrip
van het melkquotum door de Inspecteur terecht was gebaseerd op
een door twee deskundigen opgemaakt taxatierapport.
Voorts oordeelde dit Hof dat belanghebbendes beroep op het
gelijkheidsbeginsel in verband met de Resolutie van de
Staatssecretaris van 30 juni 1987 (BNB 1987/255; hierna: de
Resolutie) faalde omdat het hier niet betrof een overdracht of
overgang van een land- of tuinbouwbedrijf van (groot)ouders op
(klein)kinderen.
1.3 Ingevolge de Resolutie kan bij overdrachten en overgangen van
land- en tuinbouwbedrijven van (groot)ouders op (klein)kinderen
de waardering van landbouwgrond op ten minste de objectief vast
te stellen waarde in verpachte staat worden aangehouden, mits
ten tijde van de overdracht of overgang bij de opvolger het
voornemen bestaat het bedrijf voort te zetten en ook de
familieleden van de opvolger voor hun onderlinge verhoudingen
niet van een hogere waarde uitgaan.
1.4 Bij het in punt 1.1 vermelde arrest oordeelde Uw Raad, dat niet
valt in te zien waarom in het geval waarin het bedrijf voor de
in punt 1.3 hiervóór bedoelde lagere waarde overgaat naar een
verder verwant familielid of naar een niet-verwant, en de
verkoper of de erflater en diens rechtverkrijgenden voor zover
onderling moet worden afgerekend ook op basis van die lagere
waarde afrekenen, niet als een gelijk geval zou moeten gelden.
1.5 De zaak werd verwezen. Het verwijzingshof diende nog de vragen
te beantwoorden
a. of ten tijde van het overlijden van de erflaatster bij
belanghebbende het voornemen bestond het bedrijf voort te zetten
en
b. of de overige verkrijgers uit de nalatenschap voor hun
onderlinge verhoudingen niet van een hogere waarde uitgaan.
1.6 Het Gerechtshof 's-Gravenhage<(2) De uitspraak van het Hof te 's-Gravenhage van 29 januari 1998 is als lopende
procedure bij de Hoge Raad gepubliceerd in V-N 1998/44.1.6.
> (hierna: het Hof) heeft ten
aanzien van de vraag onder a. geoordeeld dat niet meer in
geschil is dat ten tijde van het overlijden van de erflaatster
bij belanghebbende het voornemen bestond tot voortzetting van
het bedrijf van de erflaatster.
1.7 Ten aanzien van de vraag onder b. heeft het Hof geoordeeld dat
het verrekenbeding op zichzelf niet reeds toepassing van de
Resolutie verhindert, omdat, aldus het Hof, in dat geval de Hoge
Raad de zaak op die grond zelf had kunnen afdoen. Het Hof
overweegt vervolgens dienaangaande nog (rov. 5.3, tweede
volzin):
"Bovendien zou de faciliteit van bedoelde resolutie vrijwel
altijd illusoir zijn omdat een verrekenbeding als het
onderhavige, naar belanghebbende heeft gesteld en het Hof
ook ambtshalve bekend is, nagenoeg steeds wordt opgenomen in
geval van verkrijgingen tegen de waarde in
verpachte/verhuurde staat."
1.8 Uit het feit, dat in 1993 beide erfgenamen jegens belanghebbende
afstand hebben gedaan van hun rechten op afrekening van de in
het verrekenbeding bedoelde meerwaarde tegen betaling van een
bedrag van ƒ 50.000,-- elk, leidt het Hof af dat "de overige
verkrijgers uit de nalatenschap voor hun onderlinge
verhoudingen", zij het achteraf, zijn uitgegaan van een hogere
waarde dan de waarde in verpachte staat, zodat de Resolutie hier
geen toepassing kan vinden. Het Hof kan belanghebbende niet
volgen in zijn redenering dat de zinsnede "voor hun onderlinge
verhoudingen" alleen doelt op de relatie van de overige
verkrijgers onderling (rov. 5.4).
1.9 Het Hof overweegt tenslotte nog, dat het in het onderhavige
geval geen verschil maakt of sprake is van een voorwaarde dan
wel van een last. Het gaat er slechts om, of de beide erfgenamen
genoegen hebben genomen met de inbreng van de waarde in
verpachte staat van het gelegateerde. Dat is niet het geval, nu
zij uiteindelijk op grond van een overeenkomst met de legataris
meer dan die waarde hebben ontvangen (rov. 5.5).
1.10 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in
cassatie ingesteld. Volgens het cassatiemiddel heeft het Hof
niet overeenkomstig de verwijzingsopdracht vastgesteld of
partijen voor hun onderlinge verrekening van een hogere waarde
zijn uitgegaan. Het Hof heeft aan die voorwaarde een onjuiste
uitleg gegeven door uit te gaan van een feit dat zich in 1993,
dus na het overlijden van de erflaatster, heeft voorgedaan.
1.11 De Staatssecretaris heeft een vertoogschrift in cassatie
ingediend.
2 Beschouwingen
2.1 De faciliteit
2.1.1 De Resolutie van 25 augustus 1965, No. D5/4310, PW 17691, hield
in:
(2) ?.vestig ik ? uw aandacht op, dat bij overdrachten van
land- en tuinbouwbedrijven door ouders aan kinderen de
bepaling van de koopprijs veelal in sterkte mate wordt
beïnvloed door de overweging, dat de opvolger het bedrijf
zal voortzetten en daartoe slechts in staat zal zijn als
hem een nog juist lonende exploitatie wordt mogelijk
gemaakt. Indien vaststaat, dat het in de bedoeling ligt,
dat het bedrijf door de opvolger nog geruime tijd zal
worden voortgezet, zal een verschil tussen de vrije-
marktwaarde en de "agrarische" waarde van het bedrijf, zo
een dergelijk verschil mocht bestaan, door de opvolger
gedurende die tijd niet of wellicht nimmer worden
gerealiseerd. Het verdient daarom naar mijn oordeel
aanbeveling in deze gevallen van de mogelijkheid tot het
vragen van een minnelijke verhoging of het aanzeggen van
een gerechtelijke waardering niet dan met terughoudendheid
gebruik te maken en slechts in sterk sprekende gevallen
over te gaan tot het vorderen van een schenkingsaangifte."
2.1.2 De Resolutie van 1965 werd ingetrokken bij de Resolutie van 30
juni 1987, no. 287-9104, BNB 1987/255, PW 19523. Bij die
Resolutie werd bepaald:
"De inspecteurs der registratie en successie zijn
gemachtigd bij overdrachten en overgangen van land- en
tuinbouwbedrijven van (groot)ouders op (klein)kinderen in
te stemmen met de waardering van landbouwgrond op ten
minste de objectief vast te stellen waarde in verpachte
staat. Deze machtiging geldt slechts indien ten tijde van
de overdracht of overgang bij de opvolger het voornemen
bestaat het bedrijf voort te zetten en ook de familieleden
van de opvolger voor hun onderlinge verhoudingen niet van
een hogere waarde uitgaan."
2.1.3 De faciliteit werd bij de Resolutie van 21 oktober 1992, nr.
VB92/2108, BNB 1993/14, PW 20158, zoals gewijzigd bij de
Resolutie van 24 augustus 1993, nr. VB93/299, BNB 1993/285, PW
20290, als volgt geherformuleerd en uitgebreid:
"4. Successie- en schenkingsrecht
A. Ongefaseerde bedrijfsovergang
Mede ter vermijding van problemen die zich voordoen bij de
toepassing van artikel 21, lid 5, van de Successiewet 1956
kan bij overdrachten en overgangen van (groot)ouders op
(klein)kinderen van land- en tuinbouwbedrijven voor de
bepaling van de waarde van het in eigendom overgaande
bedrijf worden volstaan met de waardering van de activa en
passiva, waarbij de waarde van de grond op ten minste de
objectief vast te stellen waarde in verpachte staat en de
waarde van melk- en mestquota op nihil gesteld kunnen
worden.
Hieraan verbind ik de volgende voorwaarden:
1. de opvolger heeft ten tijde van de overdracht of
de overgang het voornemen het bedrijf voort te zetten;
2. de familieleden van de opvolger gaan voor hun
onderlinge verhoudingen eveneens van deze waarde uit.
?????
B. Gefaseerde bedrijfsovergang
?????.
5. Bovenstaande regeling vindt toepassing voor
verplichtingen die worden aangegaan na 30 juni 1987 en voor
na die datum opengevallen nalatenschappen."
2.1.4 Het arrest BNB 1997/186* had betrekking op de resolutie van
1987, maar geldt ook voor de resolutie van 1993, BNB 1993/285.
Aldus een persbericht van het Ministerie van Financiën van 4
juni 1997, nr. 97/103, V-N 19 juni 1997, punt 3, FED 1997/450,
WFR 6250/1997. In deze zin ook HR 22 oktober 1997, nr. 31.677,
Infobulletin 97/802.
2.1.5 Volledigheidshalve vermeld ik nog dat de hierboven bedoelde
faciliteit van de Resolutie BNB 1993/285 in verband met de
inmiddels in art. 26, leden 3 tot en met 9, Invorderingswet 1990
opgenomen kwijtscheldingfaciliteit is vervallen voor
verplichtingen aangegaan na 31 augustus 1998 en voor na die
datum opengevallen nalatenschappen (Besluit van 11 augustus
1998, nr. VB 98/1670.1, V-N 1998/42.28, Infobulletin 98/624, PW
20990).
2.2 Het karakter van het testamentaire verrekenbeding
2.2.1 Omdat er enig misverstand lijkt te bestaan omtrent het karakter
van de in het testament opgenomen verplichting dat de legataris
bij vervreemding binnen een bepaalde periode een deel van de
hogere waarde aan de erfgenamen moet afstaan, zal ik daaraan
enkele beschouwingen wijden, alvorens het cassatiemiddel te
bespreken.
2.2.2 De bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval even
buiten beschouwing latend, ga ik uit van het volgende voorbeeld:
Erflater X overlijdt op 1 juli 1997. Zijn enige erfgenaam is
Y. Bij zijn testament had X zijn huis aan Z gelegateerd tegen
inbreng van de waarde en onder de verplichting dat als Z het
huis binnen drie jaar na het overlijden van X verkoopt, hij de
opbrengst bij verkoop voor de helft moet afstaan aan Y. Ten
sterfdage van X is het huis ƒ 250.000 waard. Op 1 juli 1999
verkoopt Z het huis voor ƒ 300.000. Ter voldoening aan de hem
door X opgelegde verplichting keert Z aan Y een bedrag van
ƒ 25.000 uit. Wat zijn de consequenties van een en ander voor de
heffing van het successierecht?
2.2.3 Het verrekenbeding ten behoeve van Y is een making onder
opschortende voorwaarde. Omdat het een making van een geldsom
betreft zou ik het bij voorkeur geen (voorwaardelijke)
lastbevoordeling willen noemen, maar een (sub)legaat. Zie mijn
conclusie voor HR 8 januari 1986, NJ 1986, 475 m.nt. WMK, BNB
1986/105* m.nt. Laeijendecker, PW 19392 en de jurisprudentie en
literatuur vermeld door Asser-Van der Ploeg-Perrick (Erfrecht),
12e druk (1996), nr. 137, noot 190.
2.2.4 Ten sterfdage wordt Z niet belast. Y wordt belast voor zijn
verkrijging groot ƒ 250.000. Denkbaar zou zijn dat dit bedrag
wordt verhoogd wegens een te schatten kans op vervulling van de
voorwaarde (het onderhavige beroepschrift in cassatie doet een
suggestie in die richting), maar dat is niet het systeem van de
Successiewet 1956 (Sw. 1956). In dat systeem (art. 45 enPro 53)
sluit de heffing van het successierecht aan bij de situatie na
het vervullen van de voorwaarde. Zie mijn eerder vermelde
conclusie BNB 1986/105*.
2.2.5 In het gestelde voorbeeld betekent dit laatste, dat Y in 1999
alsnog belast wordt voor een nadere verkrijging van ƒ 25.000.
Dat dit bedrag is ontstaan door de waardestijging na het
overlijden, doet m.i. niet ter zake. Reeds lang is aanvaard, dat
het mogelijk is dat over een hoger bedrag successierecht wordt
geheven dan over het saldo van de nalatenschap. Zo wordt bijv.
in de MvT Tweede Kamer, Zitting 1948 - 915, No. 3, blz. 2, het
schrappen van de woorden "uit den boedel" als volgt toegelicht:
"Ook hebben de vermelde woorden voet gegeven aan
opvatting, dat nimmer meer belast kan worden dan het beloop
van de waarde van het actief van de nalatenschap. Een
beperkte leer ten aanzien van de beide bedoelde punten is,
ook naar het oordeel van de schrijvers, zonder goede grond
en in strijd met het beginsel, dat de heffing gebaseerd op
de overgang van vermogen krachtens erfrecht, waarbij het
niet terzake doet of de vermogenswaarden, welke krachtens
erfrecht overgaan, zich al dan niet feitelijk in de
nalatenschap bevonden (vgl. ook artikel 1015 vanPro het
Burgerlijk Wetboek).
2.2.6 Een geval als hier geschetst ben ik in de jurisprudentie of
literatuur voor wat betreft de consequenties voor het
successierecht niet tegengekomen. Enigszins in de buurt komt het
geval van de Rechtsvraag in WPNR 4821 (1964). Het betrof een
ouderlijke boedelverdeling, waarin de erfdelen van de kinderen
door de langstlevende ouder tot diens dood schuldig werden
gebleven, met (o.m.) de bepaling, dat de omvang van de alsdan
bestaande schuld zou worden herrekend op basis van het
prijsindexcijfer voor de kosten van levensonderhoud. Volgens IJ.
D. C. van Duyn zou, als de uitkeringen mettertijd op grond van
die bepaling zouden worden verhoogd, herrekening van het
successierecht moeten plaatsvinden.
2.2.7 Minder eenvoudig ligt de kwestie met betrekking tot de
herrekening van het successierecht bij Z. Art. 53 SwPro. 1956
verleent vermindering van de aanslag indien en voor zover ten
gevolge van de vervulling van een voorwaarde wijziging wordt
gebracht in (de persoon van de verkrijger of in) het verkregene.
Z heeft nooit successierecht betaald en een negatieve aanslag
kent de Sw. 1956 niet.
2.2.8 Wat zou de oplossing zijn als in ons voorbeeld de erflater zijn
huis aan Z had gelegateerd tegen de waarde in verhuurde staat,
welke waarde ten sterfdage ƒ 150.000 bedraagt? De erfgenaam Y
wordt bij het overlijden van X belast voor ƒ 150.000 en Z voor
ƒ 100.000 (aangenomen dat er geen faciliteit van toepassing is).
Als Z het huis twee jaar later verkoopt voor ƒ 300.000 moet hij
ƒ 75.000 aan Y betalen, waarvoor Y op grond van art. 45, derde
lid, Sw. 1956 wordt belast. Mag Z dan deze ƒ 75.000 op grond van
art. 53 SwPro. 1956 van zijn oorspronkelijke verkrijging van
ƒ 100.000 aftrekken, zodat er per saldo bij hem slechts ƒ 25.000
belast wordt? Het door hem te betalen bedrag van ƒ 75.000 heeft
voor ƒ 50.000 betrekking op het ten sterfdage bestaande verschil
tussen de waarde in verhuurde en de waarde in vrij op te leveren
staat en voor ƒ 25.000 op de waardestijging na het overlijden
van X. Een redelijke toepassing van art. 53 SwPro. 1956 brengt m.i.
mee, dat Z slechts ƒ 50.000 mag aftrekken. Naar mijn mening kan
moeilijk worden volgehouden, dat de betaling van het bedrag van
ƒ 25.000 voor wat Z betreft een wijziging in het verkregene
betreft als bedoeld in art. 53, eerste lid, slot. Daarmee is dan
wel de symmetrie tussen art. 45 enProart. 53 verbrokenPro, maar de
oplossing lijkt mij - zoals gezegd - redelijk en op grond van de