ECLI:NL:PHR:1999:AA2911
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepassing waarderingsfaciliteit bij successierecht en verrekenbeding in testament
Deze zaak betreft de toepassing van de waarderingsfaciliteit bij de heffing van successierecht over een land- en tuinbouwbedrijf dat via een testament is gelegateerd met een verrekenbeding. Belanghebbende was werkzaam op het bedrijf en kreeg het bedrijf gelegateerd onder de verplichting een eventuele netto-meeropbrengst bij vervreemding binnen twintig jaar aan erfgenamen af te staan. De erfgenamen deden in 1993 afstand van hun rechten op deze meeropbrengst tegen betaling van een afkoopsom.
Het hof had geoordeeld dat het verrekenbeding op zich de toepassing van de waarderingsfaciliteit niet verhindert, maar dat de afkoop ervan wel de faciliteit uitsluit omdat de erfgenamen voor hun onderlinge verhouding van een hogere waarde uitgingen. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitleg.
De conclusie van de Advocaat-Generaal stelt dat het verrekenbeding als zodanig de faciliteit niet in de weg staat en dat het hof ten onrechte de afkoop als uitsluitingsgrond heeft gezien. De heffing van successierecht moet aansluiten bij de situatie na vervulling van de voorwaarde, waarbij de erfgenamen belast worden voor de meerwaarde die zij ontvangen. De afkoop leidt niet tot een wijziging in de verkrijging van de legataris die tot een bijtelling of aftrek leidt. De conclusie adviseert vernietiging van het hofarrest, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt gegrond verklaard en het arrest van het hof, de uitspraak op bezwaar en de aanslag worden vernietigd.