3.3. In de in 1966 verschenen Korte toelichting bij de Wet IB 1964 werd opgemerkt:
"12. Indien vermogensbestanddelen worden toebedeeld aan personen, die de onderneming niet mede voortzetten, blijven deze vermogensbestanddelen buiten de werkingssfeer van het derde lid. (…) De onderneming moet in verband met de tweede volzin van het derde lid niettemin geacht worden niet te zijn gestaakt (eerste lid) noch ten dele te zijn overgedragen (tweede lid), zodat geen aanspraak bestaat op de vrijstelling van artikel 8, letter d, (…) en op het bijzonder tarief van (art.) 57. (...).
13. Degenen die de onderneming voortzetten (…) hebben (…) geen vrijheid de hun krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomende bestanddelen van het vermogen van de onderneming buiten hun ondernemingsvermogen te houden, hetgeen niet wegneemt dat zij evenals elke andere belastingplichtige bepaalde vermogensbestanddelen aan het ondernemingsvermogen kunnen onttrekken in gevallen waarin wet en jurisprudentie dit toestaan (vergelijk HR BNB 1957/57 )."
3.4. Anders Hofstra/Stevens , betogend:
"Bestanddelen van het vroegere ondernemingsvermogen die aan andere verkrijgenden worden toebedeeld vormen onttrekkingen, die als zodanig moeten worden behandeld. Het departementale standpunt is dat, omdat de onderneming niet in de zin der wet wordt gestaakt, voor eventuele boekwinsten daarop geen aanspraak op de stakingsvrijstelling kan worden gemaakt en evenmin op het bijzondere tarief van (art.) 57. Ik meen dat hier een ander standpunt zeer wel verdedigbaar is. De voortzetting volgens de tweede volzin van het derde lid geldt immers uitsluitend voor de bestand -delen van het vroegere ondernemingsvermogen die daartoe worden bestemd. Voor de andere bestanddelen van het vroegere ondernemingsvermogen blijft, naar de duidelijke beginwoorden van lid 3, het eerste lid van kracht.(…)."
In die zin ook Van Dijck :
"In (art. 15, lid 3) wordt niet uitdrukkelijk bepaald dat de onderneming niet geacht wordt te zijn gestaakt. Nu de wet niet uitdrukkelijk deze bepaling bevat, meen ik dat -voorzover bij gebruikmaking van de doorschuiftechniek in geval van overlijden van de ondernemer belastbare overlijdenswinst ontstaat (…) de stakingsartikelen van toepassing zijn. (...)."
3.5. In 1989 liet de (toenmalige) staatssecretaris weten
"(…) de fictie van art. 15, eerste lid van de wet (blijft) in stand voor vermogensbestanddelen van de onderneming die niet bij de voortzetting worden gebruikt. In de literatuur wordt verdedigd dat een eventuele winst met betrekking tot deze vermogensbestanddelen dient te worden gekwalificeerd als overdrachtswinst waarop de stakingsfaciliteiten van toepassing zijn. Volgens de (…) toelichting [bij] de eerste nota van wijzigingen echter wordt de ondernemer geacht die bestanddelen buiten het kader van een staking direct voorafgaand aan zijn overlijden te hebben overgedragen aan degene(n) aan wie de bestanddelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomen. (…). Bij toepassing van art. 15, derde lid, van de wet dient derhalve de gehele onderneming van de erflater voor het bepalen van de winst uit onderneming en de toepassing van hoofdstuk VA geacht te worden niet te zijn gestaakt . Dit houdt in dat de in hoofdstuk II, afdeling 2 (winst uit onderneming) van de wet opgenomen stakingsvrijstelling (...) in dergelijke gevallen bij het bepalen van de winst niet (kan) worden toegepast. Omdat toepassing van het tarief in hoofdstuk V van de wet geen verband houdt met het vaststellen van de winst uit onderneming, geldt de bepaling van art. 15, derde lid, van de wet naar mijn oordeel in dit verband niet. Bij de toepassing van art. 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet moet dan ook worden uitgegaan van het reële feit dat de onderneming is gestaakt door het overlijden van de ondernemer. (...)."