ECLI:NL:PHR:1999:AA2931
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verzekeringsplicht voor niet-ingezetene met VUT-uitkering onder Algemene Kinderbijslagwet
Belanghebbende ontving sinds 1 augustus 1992 een VUT-uitkering en woonde sindsdien in Marokko, met slechts een postadres in Nederland. De Sociale Verzekeringsbank stelde vast dat belanghebbende zijn maatschappelijke leven niet meer in Nederland voerde en niet meer als ingezetene kon worden aangemerkt, waardoor het recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal 1992 werd beëindigd.
Belanghebbende maakte bezwaar en voerde beroep aan bij de rechtbank, Centrale Raad van Beroep en uiteindelijk cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad bevestigde dat belanghebbende geen ingezetene was en dat VUT-uitkeringen niet vallen onder de verzekeringsplicht van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De verzekeringsplicht geldt alleen voor personen die in Nederland wonen of daadwerkelijk in Nederland werken en loonbelasting betalen.
De Hoge Raad overwoog dat VUT-uitkeringen privaatrechtelijke regelingen zijn en niet gelijkgesteld kunnen worden met publiekrechtelijke sociale zekerheidsuitkeringen die wel onder het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden vallen. Ook werd geoordeeld dat het beroep in cassatie ontvankelijk was ondanks de termijnoverschrijding, vanwege onjuiste rechtsmiddelvoorlichting.
Het beroep in cassatie werd uiteindelijk verworpen, waarmee het oordeel van de Centrale Raad van Beroep dat belanghebbende niet verzekerd was onder de AKW werd bekrachtigd. De uitspraak bevestigt de beperkte kring van verzekerden en het onderscheid tussen privaatrechtelijke VUT-uitkeringen en wettelijke sociale verzekeringsuitkeringen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; belanghebbende is niet verzekerd onder de AKW voor kinderbijslag vanwege het ontbreken van ingezetenschap en het karakter van de VUT-uitkering.