ECLI:NL:PHR:1999:AA3369
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vordering tot terugbetaling renteloze geldlening voor onbepaalde tijd
In deze zaak gaat het om de vraag of een vordering tot terugbetaling van een in juli 1974 gesloten renteloze geldlening voor onbepaalde tijd reeds was verjaard voordat op 19 september 1994 tot betaling werd gesommeerd. De vordering betreft nakoming van een verbintenis tot geven, waarbij de verjaring wordt geregeld door artikel 3:307 lid 2 BW Pro. Dit artikel bepaalt dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas begint te lopen vanaf de dag volgend op de dag waarop de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan.
De Rechtbank oordeelde dat de vordering niet verjaard was en stond het bewijs toe dat de schuldeiser de lening eerder had opgeëist. Het Hof verwierp het beroep van eiser en bevestigde dat de verjaringstermijn pas aanvangt na opeising, ongeacht of de vordering eerder opeisbaar was. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst het cassatieberoep af.
De Hoge Raad benadrukt dat bij een geldlening voor onbepaalde tijd, waarbij geen termijn voor nakoming is gesteld, niet zonder meer kan worden aangenomen dat de vordering direct opeisbaar is. Dit volgt uit de aard van de overeenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid. De twintigjarige verjaringstermijn vangt aan vanaf het moment waarop opeising mogelijk was, wat niet direct na het sluiten van de overeenkomst hoeft te zijn.
De Hoge Raad verwerpt het betoog dat de vordering nimmer zou verjaren en bevestigt dat de bewijslast voor het stuiten van de verjaring bij de schuldenaar ligt. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 3:307 lid 2 BW Pro en verduidelijkt de aanvang van de verjaringstermijn bij geldleningen voor onbepaalde tijd.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de vordering niet verjaard was op het moment van sommatie.