Art. 12 Wet op de Omzetbelasting 1968Art. 15 Wet op de Omzetbelasting 1968Art. 17 Wet op de Omzetbelasting 1968Art. 261 SvArt. 341 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging en verwijzing wegens onvolledige motivering en verkeerde kwalificatie in complexe faillissementsfraudezaak
In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Arnhem verdachte veroordeeld voor diverse feiten van deelname aan een criminele organisatie, valsheid in geschrift, bedrieglijke bankbreuk en flessentrekkerij, met een gevangenisstraf van drie jaar. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte niet met redenen omkleed heeft beslist op het verweer dat de belastingaangifte niet onjuist was omdat de betrokken vennootschap niet in Nederland was gevestigd. Dit betreft het feit van onjuiste belastingaangifte (feit 3). Daarnaast werd vastgesteld dat het hof een verkeerde strafrechtelijke kwalificatie gaf aan feiten van bedrieglijke verkorting van schuldeisersrechten (feiten 5 en 7), die volgens de Hoge Raad onder een bijzondere strafbepaling (art. 344 SrPro) vallen.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het verwerpt dat de dagvaarding nietig zou zijn voor bepaalde feiten (6 en 8). Hoewel dit niet tot cassatie leidt, is het oordeel van het hof hierover niet volledig helder. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft het onder 3 telastegelegde en de kwalificatie en strafoplegging van feiten 5 en 7, en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting en beslissing.
De overige klachten van verdachte worden verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering door het hof en correcte juridische kwalificatie van feiten in faillissementsfraudezaken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van enkele feiten.
Conclusie
Nr. 111.424 mr N. Keijzer
zitting 21 september 1999 conclusie inzake
T. de Vries
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij uitspraak van 13 juni 1997 heeft het Gerechtshof te Arnhem de
verdachte van het hem onder 2 telastegelegde van alle rechtsvervolging
ontslagen, en hem, ter zake van (1) deelneming aan een organisatie die
tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en kort gezegd, (3)
feitelijke leiding geven aan het onjuist doen van belastingaangifte, (4)
en (9) feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift, (5) en (7)
feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk, en (6) en (8)
feitelijke leiding geven aan flessentrekkerij, veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
2. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld. Het
beroep is kennelijk niet gericht tegen het gegeven ontslag van alle
rechtsvervolging ter zake van feit 2.
3. Namens de verdachte heeft mr W.A. Holland, advocaat te Nijmegen, vier
middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel heeft betrekking op de bewijsvoering ter zake van feit
3. Betoogd wordt dat het Hof ten onrechte onbesproken heeft gelaten het
verweer dat, omdat de N.V. Brugse Im- en Export maatschappij niet in
Nederland was gevestigd, de belastingaangifte niet onjuist was.
5. Onder 3 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
Brugse Im- en Export maatschappij in de gemeente Rijswijk in de
periode van 1 januari 1992 tot en met 7 oktober 1992, opzettelijk,
als buitenlands belastingplichtige, in de zin van de Wet op de
Omzetbelasting 1968, over het tijdvak van 1 januari tot en met 30
september van het jaar 1992, bij de Wet op de Omzetbelasting 1968
in verband met de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen voorziene
aangifte onjuist heeft gedaan, terwijl daarvan het gevolg zou
kunnen zijn dat te veel belasting zou kunnen worden terugontvangen
of terugbetaald,
Brugse Im- en Export maatschappij heeft op het door of namens de
bevoegde inspecteur der belastingen aan haar, N.V. Brugse Im- en
Export maatschappij, uitgereikte biljet "Verzoek om teruggaaf van
de belasting over de toegevoegde waarde" betreffende het tijdvak
van 1 januari tot en met 30 september van het jaar 1992,
opzettelijk in strijd met de waarheid op het bij dat biljet
behorende formulier "BTW-bedragen over het tijdvak waarop dit
verzoek betrekking heeft" in de kolom "Bedrag van de belasting
waarvoor teruggaaf wordt verzocht" een totaalbedrag van f
43.147,54, ingevuld en heeft opzettelijk genoemd biljet en dat
formulier, waarop dat onjuiste bedrag was vermeld, doen voorzien
van enige ondertekening en vervolgens opzettelijk doen toekomen
aan de bevoegde inspecteur der belastingen;
hebbende hij, verdachte, (als directeur van N.V. Brugse Im- en
Export maatschappij) tot het vorenomschreven feit opdracht gegeven
en de feitelijke leiding gegeven aan vorenomschreven verboden
gedraging".
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 29 en
<?
111.424
>
30 mei 1997 (pleitnota, blz. 20-22) heeft de raadsman aldaar het verweer
gevoerd dat in de toelichting op het middel is samengevat, te weten, kort
gezegd, dat het bedrag aan belasting waarvoor teruggaaf werd verzocht
niet onjuist was, omdat de N.V. Brugse Im- en Export maatschappij niet in
Nederland was gevestigd en derhalve enerzijds ingevolge art. 12, tweede
lid (oud) Wet op de Omzetbelasting<(1)1. Art. 12, tweede lid (oud), Wet op de omzetbelasting 1968 luidde ten
tijde van de bewezenverklaarde gedraging:
Ingeval de ondernemer die de levering of de dienst verricht, niet
in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting
heeft en degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst
wordt verleend, een ondernemer is die in Nederland woont of is
gevestigd dan wel daar een vaste inrichting heeft, of een in
Nederland gevestigd lichaam in de zin van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is, wordt de belasting geheven van degene aan wie
de levering wordt verricht of de dienst wordt bewezen.
> geen belasting behoefde te berekenen
ter zake van levering in Nederland, en anderzijds ingevolge art. 17 vanPro
die Wet<(2)2. Art. 17 WetPro op de omzetbelasting 1968 luidt:
Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt
dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het
verschil aan de ondernemer op zijn verzoek terugbetaald.
> recht had op terugbetaling.<(3) Kennelijk had de raadsman hierbij het oog op art. 15, eerste lid, aanhef
en onder a, Wet op de omzetbelasting 1968, welke bepaling luidt:
De in artikel 2 bedoeldePro belasting welke de ondernemer in aftrek
brengt is:
a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere
ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte
leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op
de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur.
>
7. Het Hof heeft op dit verweer, waarvan de weerlegging niet voortvloeit uit
de gebezigde bewijsmiddelen, niet een met redenen omklede beslissing
gegeven, waartoe het echter wel gehouden was.<(4) Vgl. HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411 (dakbedekker); HR 12 februari 1985,