ECLI:NL:PHR:1999:AA3824
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling behoefte partneralimentatie na echtscheiding met afbouwregeling
Partijen zijn in 1975 gehuwd en de man verzocht in 1997 de echtscheiding uit te spreken. De vrouw vorderde partneralimentatie van f 3.500 per maand. De rechtbank kende deze toe, maar het hof stelde een afbouwregeling vast waarbij de alimentatie jaarlijks daalde tot nihil in 2003.
Het geschil betrof de motivering van het hof over de behoefte van de vrouw aan alimentatie. Het hof hield rekening met het levenspatroon tijdens het huwelijk, maar relativeerde dit door mee te wegen dat sommige kosten niet meer relevant waren na de scheiding. De vrouw stelde dat haar huidige behoeften bepalend moesten zijn, maar het hof vond een geleidelijke afbouw passend.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het levenspatroon als uitgangspunt nam en dat de motivering begrijpelijk was. Het hof hoefde niet elk uitgavenpost afzonderlijk te bespreken. De afbouwregeling werd als redelijk beschouwd, en het cassatiemiddel werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de afbouwregeling van partneralimentatie zoals vastgesteld door het hof.