ECLI:NL:PHR:1999:AA3860
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over fiscale behandeling van vestiging vruchtgebruik op lijfrente en aftrekbaarheid koopsom
In deze zaak stonden twee cassatieberoepen centraal tegen uitspraken van de gerechtshoven te 's-Gravenhage en 's-Hertogenbosch, waarin de Inspecteurs de aftrek van betaalde koopsommen voor het vestigen van vruchtgebruik op een lijfrente in 1992 hadden geweigerd. De vader van de belanghebbenden had in 1990 een lijfrenteovereenkomst gesloten, waarop hij vruchtgebruik vestigde ten behoeve van zijn kinderen, die daarvoor een koopsom betaalden.
De Hoge Raad analyseerde uitvoerig de fiscale behandeling van lijfrentetermijnen en de juridische kwalificatie van het recht op lijfrente, waarbij het onderscheid tussen vermogensbestanddeel en inkomsten lastig is. De Raad bevestigde dat de overschot- of saldomethode van toepassing is en dat de vestiging van vruchtgebruik op een lijfrente fiscaal gelijkgesteld kan worden aan verkoop van toekomstige inkomsten. De Raad oordeelde dat de belanghebbenden de betaalde koopsom in 1992 terecht als aftrekbare kosten mogen opvoeren.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraken en oordeelde dat de Inspecteurs ten onrechte de aftrek hadden geweigerd. De zaak benadrukt de fiscale nuances rond vervreemding en vruchtgebruik van lijfrenten, met name de overgangsrechtelijke bepalingen en de toepassing van art. 25 en Pro 31 Wet IB 1964. De conclusie van de Procureur-Generaal onderstreept dat een lijfrente niet gelijk is aan een rentedragende vordering maar eerder aan een couponblad zonder obligatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraken en bepaalt dat de belanghebbenden recht hebben op aftrek van de betaalde koopsom in 1992.