ECLI:NL:PHR:1999:AA3877
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering erkenning kind door biologische vader zonder toestemming moeder
De zaak betreft een geschil tussen de biologische vader (de man) en de moeder over de erkenning van hun dochter, geboren in 1992. De man heeft het kind niet erkend uit vrees dat de moeder haar recht op een bijstandsuitkering zou verliezen. Na het intrekken van de toestemming door de moeder, heeft de man geprobeerd de erkenning af te dwingen, wat door rechtbank en hof werd afgewezen. Het hof oordeelde dat het verzoek moest worden getoetst aan het oude artikel 1:225 BW Pro en dat de man geen bevoegdheid had tot erkenning zonder toestemming van de moeder.
De Hoge Raad bevestigt dat dit oordeel niet strijdig is met het EVRM en andere internationale verdragen, omdat de man ruimschoots gelegenheid heeft gehad om vervangende toestemming te vragen. De jurisprudentie benadrukt dat weigering van toestemming door de moeder niet snel als misbruik wordt aangemerkt, tenzij er geen te respecteren belangen zijn. De belangen van de moeder prevaleren hier, mede omdat het kind bij haar verblijft en zij inmiddels met een andere man is gehuwd die het kind erkend heeft.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van de man af, omdat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de man te lang heeft gewacht met het vragen van vervangende toestemming en dat er geen reden is om hem achteraf alsnog de erkenning toe te staan. Hiermee blijft de erkenning door de nieuwe man rechtsgeldig en wordt de positie van de moeder en het kind beschermd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; erkenning zonder toestemming moeder is niet toegestaan.