ECLI:NL:PHR:1999:AA3878
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kennelijk onredelijk ontslag en financiële vergoeding na langdurig dienstverband
De zaak betreft het ontslag op staande voet van een gezinsverzorgster die na 25 jaar dienstverband werd geschorst en ontslagen wegens het geven van ongevraagd advies over alternatieve geneeswijzen en astrologie aan cliënten, wat tot klachten en reputatieschade voor de werkgever leidde.
De kantonrechter wees de vorderingen van de werknemer af, maar de rechtbank vernietigde dit en oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege het ontbreken van een financiële vergoeding, mede gezien de leeftijd van de werknemer en haar positie op de arbeidsmarkt. De rechtbank kende een vergoeding toe van 54.000 gulden netto.
Thuiszorg stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak en de daaropvolgende verbeteringsvonnissen waarin onduidelijkheid bestond over de netto- of bruto-omvang van de vergoeding. De Hoge Raad besprak de bewijslastverdeling bij kennelijk onredelijk ontslag, de mate waarin de werkgever haar belangen moet onderbouwen, en de omstandigheden waaronder een ontslag zonder vergoeding toch toelaatbaar kan zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat de werknemer de stelplicht en bewijslast draagt voor kennelijke onredelijkheid, maar dat de werkgever voldoende feiten moet aanvoeren om de ontslagreden te onderbouwen. Ook werd benadrukt dat een langdurig dienstverband zonder financiële vergoeding doorgaans kennelijk onredelijk is, zeker bij beperkte arbeidsmarktkansen.
Ten aanzien van de verbeteringsvonnissen oordeelde de Hoge Raad dat het niet horen van de wederpartij op het verzoek tot herstel een essentieel procesverzuim is. De onduidelijkheid over de netto- of bruto-omvang van de vergoeding werd niet als een kennelijke verschrijving aangemerkt, waardoor de verbeteringsvonnissen werden vernietigd. De Hoge Raad verwierp uiteindelijk het cassatieberoep wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Thuiszorg wordt verworpen wegens gebrek aan belang, waarbij het ontslag als kennelijk onredelijk wordt bevestigd en de toegewezen vergoeding onduidelijk blijft.