ECLI:NL:PHR:1999:AA4007
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijslast en bewijsrisico bij aanrijding tussen fietsers
Deze zaak betreft een verkeersongeval tussen twee fietsers op een fietspad in Leiden, waarbij eiseres in cassatie (fietser 1) tegen eiser (fietser 2) werd aangesproken voor schadevergoeding wegens een kaakfractuur. Fietser 1 reed tegen de rijrichting in, wat een verkeersovertreding is, maar stelde dat zij niet aansprakelijk was omdat het ongeval door het eigen gedrag van fietser 2 was veroorzaakt.
De rechtbank kende een bewijsopdracht toe aan fietser 1 om tegenbewijs te leveren dat het ongeval niet door haar schuld was veroorzaakt. Fietser 1 slaagde hier niet in, waarna de vordering werd toegewezen. Het hof vernietigde dit en oordeelde dat het ongeval vooral te wijten was aan het gedrag van fietser 2, die te hard reed en de trottoirband raakte, waardoor hij ten val kwam.
In cassatie werd geklaagd over de toegepaste bewijsverdeling en het bewijsrisico, waarbij werd betoogd dat de bewijslast bij fietser 1 had moeten liggen vanwege haar overtreding. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht niet ontvankelijk was omdat de bewijsopdracht in het tussenvonnis niet was aangevochten en het hof gebonden was aan die opdracht. Ook inhoudelijk faalden de middelen omdat het hof aannemelijk had gemaakt dat de overtreding van fietser 1 niet causaal was voor het ongeval.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Hoge Raad wijst cassatieberoep af en bevestigt dat verkeersfout van eiseres niet causaal was voor het ongeval.