Art. 20 AWRArt. 30a AWRArt. 30c AWRArt. 17 Wet OB 1968Art. 26 Wet OB 1954
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt geen heffingsrente bij naheffing ter correctie onterechte teruggaaf omzetbelasting
De zaak betreft een geschil over de heffingsrente die is berekend bij een naheffingsaanslag omzetbelasting over 1992. De belanghebbende had aanvankelijk te veel omzetbelasting aangegeven en betaald, waarna een naheffing werd opgelegd ter correctie van een ten onrechte verleende teruggaaf. De Inspecteur had daarnaast heffingsrente berekend over de periode vanaf 1 januari 1993 tot de dag van naheffing.
Het gerechtshof oordeelde dat de heffingsrente in dit geval niet verschuldigd was omdat de naheffing betrekking had op een ambtshalve verleende teruggaaf en de belanghebbende over het eerste kwartaal van 1992 de belasting wettelijk verschuldigd had aangegeven. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het hof buiten de rechtsstrijd was getreden en dat heffingsrente wel verschuldigd was volgens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat geen heffingsrente kan worden geheven bij een naheffing ter correctie van een onterechte teruggaaf. De Raad benadrukt dat de wettelijke regeling van art. 30a AWR limitatief is en heffingsrente alleen kan worden berekend in de specifieke gevallen die daarin zijn genoemd. De klachten van de Staatssecretaris worden verworpen, en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat geen heffingsrente verschuldigd is bij naheffing ter correctie van een onterechte teruggaaf omzetbelasting.
Conclusie
Nr. 33.369
Derde Kamer A
Heffingsrente 1993-1995
Parket, 30 augustus 1999
Mr Van den Berge
Conclusie inzake:
de staatssecretaris van Financiën
tegen:
X
Edelhoogachtbaar College,
1. Beschrijving van de zaak
1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van
het gerechtshof te 's-Gravenhage (het Hof) van 1 mei 1997, nr. 95/2436.<(1) V-N 1997, blz. 2951, pt. 1.2. De schriftelijke uitspraak verving een mondelinge
uitspraak van 6 december 1996, verzonden op 12 december van dat jaar.
> Het
is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris).
1.2. Over het eerste kwartaal van 1992 heeft de belanghebbende op 12 mei
1992 op aangifte een bedrag aan omzetbelasting voldaan van ƒ 2.797,-.
1.3. Bij brief van 9 januari 1993 deelde de belanghebbende aan de fiscus
mee dat de aangifte onjuist was. Hij verzocht daarbij het bedrag aan
verschuldigde omzetbelasting te verminderen met ƒ4.381,-.
1.4. De Inspecteur (het Hoofd van de eenheid van de Belastingdienst
Particulieren/ Ondernemingen P) heeft daarop bij beschikking van 25 maart
1993 de door de belanghebbende over het eerste kwartaal van 1992
verschuldigde omzetbelasting vastgesteld op ƒ 1.584,- negatief.
1.5. De accountant van de belanghebbende heeft bij brief van 27 februari
1995 aan de Inspecteur gemeld dat de belanghebbende over het jaar 1992 per
saldo een bedrag van ƒ 4.381,- te weinig aan omzetbelasting had afgedragen.
Hij verzocht de Inspecteur voor dat bedrag een naheffingsaanslag op te
leggen.
1.6. De Inspecteur heeft vervolgens aan de belanghebbende over het tijdvak
1 januari 1992 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag in de
omzetbelasting opgelegd voor een bedrag van ƒ 4.381,-. Verder heeft hij een
bedrag heffingsrente geheven van ƒ 557,-. Dat bedrag betrof de periode van
1 januari 1993 tot de dag van dagtekening van de naheffingsaanslag, 28
maart 1995.
1.7. Dat bedrag aan heffingsrente werd na bezwaar van de belanghebbende
door de Inspecteur verminderd tot ƒ545,-, omdat de belanghebbende de
naheffingsaanslag al op 8 maart 1995 had betaald.
1.8. Tegen die uitspraak heeft de belanghebbende beroep in gesteld bij het
<
?
>
Hof. Voor het Hof voerde de belanghebbende aan dat de Inspecteur ten
onrechte ook heffingsrente had berekend over de periode 1 januari 1993 tot
22 april1993 - nader kennelijk: tot medio april 1993 - omdat het bedrag van
ƒ 4.381,- hem in die periode nog niet ter beschikking stond, maar nog 'in
beheer was bij de Belastingdienst'. Hij stelde dat bedrag aan te veel
berekende heffingsrente op ƒ 94,-.<(2) Brief van de belanghebbende aan het Hof van 4 september 1995.
>
1.9. Het Hof was van oordeel dat de Inspecteur in het geheel geen
heffingsrente had mogen heffen, omdat de belanghebbende over het eerste
kwartaal van 1992 de wettelijk verschuldigde omzetbelasting had aangegeven
en de naheffing strekte tot ongedaanmaking van een ambtshalve verleende
teruggaaf. Het Hof heeft daarom de beschikking inzake de heffingsrente
vernietigd.
1.10. In cassatie bestrijdt de Staatssecretaris de beslissing van het Hof
met twee cassatiemiddelen. In zijn eerste middel betoogt de
Staatssecretaris dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden omdat het
zich niet heeft beperkt tot een oordeel over de verschuldigdheid van het
door belanghebbende betwiste bedrag van ƒ 94,-, maar zich een oordeel heeft
aangemeten over de vraag of in dit geval - los van het bedrag -
heffingsrente kon worden geheven. Overigens is ook de Staatssecretaris van
mening, dat het geheven bedrag moet worden verminderd met ƒ 94,-. In zijn
tweede middel bestrijdt de Staatssecretaris 's Hofs oordeel dat de
beschikking heffingsrente niet in stand kon blijven.
1.11. De belanghebbende heeft geen vertoogschrift in cassatie ingediend.
2. Naheffing ter correctie van een ten onrechte verleende teruggaaf
2.1. Algemeen
2.1.1. In o. 6.3 heeft het Hof overwogen dat in dit geval 'sprake was van
een naheffing van ambtshalve teruggegeven belasting', maar dat de vraag 'of
voor een zodanige naheffing een voldoende wettelijke basis bestaat' niet
behoefde te worden beantwoord omdat de belanghebbende de rechtsgeldigheid
van de naheffingsaanslag als zodanig niet betwistte.
2.1.2. Dat is op zich juist, maar ik vind in de omstandigheid dat het Hof
die vraag opwerpt, niettemin aanleiding om aan dat punt aandacht te
besteden.
2.2. De Wet op de Omzetbelasting 1954
2.2.1. Hoofdstuk VI van de Wet op de Omzetbelasting 1954 (Wet OB 1954)
bevatte een aantal bepalingen (art. 26 t/m 28) over de teruggaaf van
belasting. Teruggaaf vond plaats 'op een daartoe gedaan verzoek' (zie o.a.
art. 26, lid 1 Wet OB 1954), voor indiening van een dergelijk verzoek moest
in beginsel gebruik worden gemaakt van een bepaald formulier (art. 51, lid
2 Uitvoeringsbesluit OB 1954), dat binnen een bepaalde termijn moest worden
ingediend (art. 51, lid 3 Uitv. besl. OB 1954). De inspecteur besliste bij
beschikking (zie o.a. art. 26, lid 3 Wet OB 1954). Tegen die beschikking
stond bezwaar en daarna beroep open (art. 38 enPro 39 Wet OB 1954).
2.2.2. In § 100 van de Leidraad bij de Wet OB 1954<(3) Wet OB 1954, editie Schuurman & Jordens, 1e dr. 1955 blz. 366.
> was voorgeschreven:
"1. In gevallen, waarin wegens het te laat indienen van een
bezwaarschrift of van een verzoekschrift om teruggaaf, dan wel om
andere redenen van formele aard, de reclamant of adressant niet
ontvankelijk moet worden verklaard, verleent de inspecteur (...)
ambtshalve de vermindering op de aanslag c.q. de (hogere) teruggaaf,
waarop de belanghebbende naar het oordeel van de inspecteur
redelijkerwijs aanspraak heeft.
2. Naar de gegrondheid van een niet-ontvankelijk bezwaar- of
verzoekschrift stelt de inspecteur dan ook steeds<(4) Van die regel kon in een aantal in de leidraad omschreven gevallen worden
afgeweken.
> een onderzoek in
(...)."
2.2.3. Indien een teruggaaf ten onrechte was verleend, kon worden
nagevorderd [art. 37, lid 1 onder c Wet OB 1954; zie ook de jurisprudentie
van de Tariefcommissie vermeld in par. 3.2. e.v. van de conclusie van A-G
Van Soest voor HR 14 juni 1989, BNB 1989/271 m.nt. J.P. Scheltens].
2.3. De Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet op de omzetbelasting
1968
2.3.1. Art. 20, lid 1, eerste volzin, Algemene wet inzake rijksbelastingen
(AWR) luidt:
"Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan (?)
geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te
weinig geheven belasting naheffen."
Het begrip 'betaald' wordt opgevat als een saldo van hetgeen op aangifte is
voldaan en hetgeen daarna eventueel is teruggegeven, zie HR 28 oktober
1981, nr. 20.635, inzake een naheffingsaanslag opgelegd ter correctie van
een vermindering, verleend bij uitspraak op een bezwaarschrift tegen de
belasting die op aangifte was voldaan (art. 24 AWRPro) [niet gepubliceerd,
maar door A-G Van Soest vermeld in par 3.5. van zijn conclusie voor HR 14
juni 1989, BNB 1989/271 m.nt. J.P. Scheltens<(5) FED 1989/459 m.nt. J.A. Smit, V-N 1989, blz. 2160, pt. 3.
>] en HR 14 juni 1989/271, BNB
1989/271 inzake een naheffingsaanslag, opgelegd ter correctie van een
ambtshalve verleende vermindering, zij het dat daarbij niet in aanmerking
kan worden genomen een bedrag dat door de fiscus abusievelijk is
terugbetaald, zonder dat de belastingplichtige daarom had verzocht (HR 21
augustus 1996, BNB 1996/402, na een door mij genomen conclusie en m.nt.