ECLI:NL:PHR:1999:AD3053
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid curator moedervennootschap tot verzoeken enquête bij failliete dochters
In deze zaak stond centraal de vraag of de curator van een failliete moedervennootschap bevoegd is om namens die moedervennootschap een enquête te verzoeken bij failliete dochtervennootschappen. De ondernemingskamer had een enquête bevolen op verzoek van de curator van de moedervennootschap, maar niet ontvankelijk verklaard voor zover het verzoek was gedaan als curator van de dochters.
De Hoge Raad overwoog dat de curator van een failliete vennootschap niet bevoegd is een enquête te verzoeken over die vennootschap zelf, maar dat een holding die aan de wettelijke vereisten voldoet, bevoegd is een enquête te verzoeken bij haar dochtervennootschappen. De vraag was of deze bevoegdheid ook aan de curator van de failliete holding toekomt. De Hoge Raad oordeelde dat het recht tot het verzoek om een enquête geen vermogensrecht is en dus niet tot de failliete boedel behoort, en dat het belang van de boedel van de moedervennootschap bij het onderzoeken van wanbeleid bij de dochters zwaarder weegt dan tegenargumenten.
Ook werd geoordeeld dat de curator niet schriftelijk vooraf bezwaren hoefde kenbaar te maken aan het bestuur van de vennootschappen, omdat de curator deze vennootschappen vertegenwoordigt en een ingebrekestelling aan zichzelf geen redelijk doel dient. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de ruime bevoegdheid van de curator van de moedervennootschap om een enquête te verzoeken bij de dochters.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de curator van de moedervennootschap om een enquête te verzoeken bij failliete dochters en wijst het cassatieberoep af.