ECLI:NL:PHR:1999:ZD1568

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 1999
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
111.401
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SrArt. 82 SrArt. 359 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens zware mishandeling met honkbalknuppel met gebroken jukbeen en gescheurde oogkas

In deze zaak is verzoeker veroordeeld wegens zware mishandeling door het slachtoffer met een honkbalknuppel krachtig tegen het hoofd te slaan, waarbij het slachtoffer een gebroken jukbeen en een gescheurde oogkas opliep. De Hoge Raad beantwoordt meerdere cassatiemiddelen die betrekking hebben op de bewijsvoering en de kwalificatie van het letsel.

Ten aanzien van de bewijsvoering oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet de bij de politie gemaakte foto's als bewijs heeft gebruikt, maar slechts de verklaring van de verbalisant dat dergelijke foto's zijn gemaakt. Dit vormt geen beletsel voor een toereikende motivering van de bewezenverklaring, mede gelet op de overige bewijsmiddelen.

Wat betreft het letsel bevestigt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Dit oordeel is gebaseerd op een gedetailleerde medische verklaring van een kaakchirurg, waarin onder meer een in drie delen gebroken jukboog en een impressiefractuur van het jukbeen zijn vastgesteld, alsmede de noodzaak van een ingrijpende medische behandeling.

De Hoge Raad wijst voorts de cassatiemiddelen af die zien op de motivering van de schadevergoeding en de keuze in de bewezenverklaring tussen het gebruik van een honkbalknuppel of een hard voorwerp. Het hof heeft de schadevergoeding voldoende gemotiveerd toegewezen en de bewezenverklaring is begrijpelijk en niet onjuist geformuleerd.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling wegens zware mishandeling met zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

Nr. 11.401
Zitting 22 juni 1999
Mr. van Dorst
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Wegens zware mishandeling heeft het gerechtshof te Arnhem verzoeker tot straffen veroordeeld.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat niet duidelijk is of de door de politie gemaakte foto's tot bewijs zijn gebezigd, terwijl, indien dit het geval zou zijn, het hof deze niet naar de eis der wet in de uitspraak heeft vermeld.
4. Tot de gebezigde bewijsmiddelen behoort een ambtsedig proces-verbaal, onder meer inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op 11 juli 1997 deed bij mij aangifte [slachtoffer] De aangever verklaarde dat hij met een honkbalknuppel was geslagen door [verdachte] (verzoeker, vD). Tijdens de aangifte zijn twee foto's gemaakt van het gezicht van de aangever. Deze foto's worden bij dit proces-verbaal gevoegd.
5. De bestreden uitspraak moet naar mijn mening aldus worden verstaan dat het hof niet de bij de politie gemaakte foto's tot bewijs heeft gebezigd, maar (slechts) de mededeling van de verbalisant dát er foto's zijn gemaakt. Nu kan deze mededeling weliswaar bezwaarlijk als redengevend voor de bewezenverklaring worden beschouwd, maar zij is in het licht van de overige inhoud van de bewijsmiddelen van zodanig ondergeschikt belang dat dit niet in de weg staat aan het oordeel dat de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd is. Vgl. HR 23 oktober 1990, DD 91.073.
6. Indien zou moeten worden aangenomen dat het hof de gemaakte foto's wel tot bewijs heeft gebezigd, hoeft het verzuim de inhoud daarvan in de bestreden uitspraak weer te geven evenmin tot cassatie te leiden. Die foto's zijn immers, gelet op hetgeen de overige bewijsmiddelen inhouden met betrekking tot de verwonding van het slachtoffer, van zodanig ondergeschikte betekenis dat niet gezegd kan worden dat door dit verzuim de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed is. Vgl. HR 21 juni 1994, DD 94.396.
7. In het
tweede middelwordt aangevoerd dat het toegebrachte letsel geen 'zwaar' lichamelijk letsel oplevert.
8.1. Bewezenverklaard is dat verzoeker het slachtoffer met een honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, krachtig tegen het hoofd heeft geslagen waardoor deze een gebroken jukbeen en een gescheurde oogkas heeft opgelopen.
8.2. De tot bewijs gebezigde verklaring van een kaakchirurg houdt als resultaat van het door hem verrichte onderzoek van het slachtoffer in:
1. een forse zwelling van de huid over de jukboog aan de linkerzijde van het gelaat. Door de zwelling en de vele pijn was het onmogelijk de onderliggende botstructuur te palperen;
2. de huid direct achter het jukbeen was afgeschaafd;
3. de onderrand van de linkeroogkas vertoonde een trapje;
4. de mobiliteit van de linkeroogbol was ongestoord, hetgeen zich uitte in de afwezigheid van dubbelbeelden;
5. de gevoeligheid van de huid in het gebied van de gevoelszenuw, welke onder het oog naar buiten treedt, was ongestoord;
6. een lichte bloeduitstorting in de huid van de binnenste ooghoek links;
7. bij het onderzoek in de mond blijkt er geen drukpijn te bestaan op de overgang van het jukbeen naar het bovenkaaksbeen.
Bij het röntgenologisch onderzoek constateerde ik het volgende:
1. een rotatie impressiefractuur van het jukbeen, waarbij de draaiingsas lag om de overgang van het jukbeen naar het voorhoofdsbeen. Een duidelijke fractuurlijn was zichtbaar in de onderste oogkasrand en verlopend naar de onderzijde;
2. een verkleining van de ruimte van de oogbol;
3. een in drie delen gebroken jukboog. De stukken waren naar binnen verplaatst, waardoor het openen van de mond beperkt was.
Ik heb O. dezelfde avond opgenomen op de afdeling Kaakchirurgie van het Slingelandziekenhuis. Dezelfde avond werd de breuk bloedig gereponeerd in algehele anaesthesie.
Ik moest bij het reponeren van het jukbeen zeer grote kracht uitoefenen. Dit betekent dat de kracht van de klap een grote geweest moet zijn.
9. Gelet op deze verklaring, in het bijzonder de daarin genoemde impressiefractuur van het jukbeen en de in drie delen gebroken jukboog, getuigt 's hofs in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat het in de bewezenverklaring bedoelde letsel naar normaal spraakgebruik voldoende ernstig is om als zwaar lichamelijk letsel te kunnen worden aangeduid, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Vgl. de door mijn ambtgenoot Keijzer in zijn conclusie voor HR 17 november 1998, NJ 1999, 151 aangehaalde jurisprudentie. Anders dan in die zaak het geval was, kan in casu bepaald niet gezegd worden dat over de aard van het toegebrachte letsel alsmede de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen niets vaststaat.
10. Het
derde middelbetreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij die, gelet op de betwisting ter terechtzitting in hoger beroep, ontoereikend gemotiveerd zou zijn.
11.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft verzoekers raadsman aldaar onder meer aangevoerd:
Mocht uw hof tot een veroordeling komen dan biedt cliënt onbetaalde arbeid aan en dient de vordering van de benadeelde partij beperkt te worden tot f. 1.446,-- en f. 500,-- smartegeld.
11.2. Het hof heeft de (in hoger beroep verminderde) vordering van fl. 4.339,-- toegewezen tot een bedrag van fl. 2.446,--. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:
Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaard handelen schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Wat betreft het meer of anders gevorderde moet de vordering worden afgewezen.
12. Het hof heeft de opmerking van de raadsman kennelijk niet opgevat als een betwisting van de vordering van de benadeelde partij, maar veeleer als een advies aan het hof omtrent het toe te wijzen bedrag. Gelet op het ontbreken van enige onderbouwing van bedoeld advies, komt 's hofs uitleg mij geenszins onbegrijpelijk voor. Het hof was derhalve niet gehouden tot een nadere motivering van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
13. In het
vierde middelwordt aangevoerd dat het hof in de bewezenverklaring een keuze had moeten maken uit de tenlastegelegde alternatieven, inhoudende dat verzoeker het slachtoffer heeft geslagen "met een honkbalknuppel, in elk geval met een hard voorwerp" en dat het tweede alternatief geen steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.
14. De onderhavige onderdelen van de bewezenverklaring zijn geen elkaar uitsluitende alternatieven. Een honkbalknuppel is immers een species van het genus "hard voorwerp". Nu een keuze tussen beide onderdelen niet van belang is voor de strafrechtelijke betekenis van de gedraging en 's hofs vaststelling omtrent verzoekers gebruik van een honkbalknuppel impliceert dat verzoeker met een hard voorwerp heeft geslagen, was het hof niet gehouden een keuze te maken. Bovendien bieden de bewijsmiddelen steun aan zowel het species als het genus: het slachtoffer rept immers van een honkbalknuppel, terwijl het slot van de hierboven weergegeven medische verklaring door het hof geïnterpreteerd kon worden als doelende op een krachtige klap met enig hard voorwerp.
15. Voor het geval de Hoge Raad niettemin zou menen dat het hof een keuze had moeten maken, moet het er, gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, voor worden gehouden dat de woorden "in elk geval met een hard voorwerp" per ongeluk in de bewezenverklaring zijn opgenomen. De bewezenverklaring kan in dat opzicht verbeterd worden gelezen. Vgl. HR 14 mei 1991, DD 91.305.
16. De middelen zijn ondeugdelijk. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,