Conclusie
eerstemiddel behelst de klacht dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan een verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 2] .
Het Nederlandse strafprocesrecht, 2de druk, pag. 513.
Valsheid in geschrift, op pag. 86, de effecten van de materiële valsheid van een geschrift in relatie worden gebracht met verbetering van een taalfout:
derdemiddel wordt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd te Eindhoven.
vierdemiddel bevat als klacht dat het hof het beroep op putatieve overmacht onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Valsheid in geschrift, pag. 88. Blijkens de bewezenverklaring heeft het hof vastgesteld dat verdachte het 'Application Form' heeft voorzien van de naam van […] en/of een naam- of handtekening welke moest doorgaan voor de naam- of handtekening van […] . Aldus heeft het hof derhalve vastgesteld dat de geschreven naam(tekening) op het formulier opgevat diende te worden als handtekening. Deze vaststelling berust onder meer op de inhoud van bewijsmiddel 8, een kopie van een van verdachte afkomstig intern memo. Het eerste onderdeel van het middel faalt aldus.