ECLI:NL:PHR:2000:AA4281

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C98/249HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering moeder op informatieverstrekking door Jeugdzorg en proceskostenveroordeling

De zaak betreft een kort geding waarin de moeder vorderde dat Jeugdzorg haar informatie verstrekte over haar dochter, die onder toezicht stond en uit huis geplaatst was wegens vermoedelijke mishandeling. De president van de rechtbank wees de vordering af en veroordeelde de moeder in de proceskosten, omdat Jeugdzorg reeds uitgebreide informatie had verstrekt.

De moeder ging in hoger beroep, maar het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat de dochter inmiddels weer bij haar woonde. Het hof veroordeelde haar tevens in de proceskosten van het hoger beroep. De moeder stelde cassatie in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had geoordeeld dat de moeder daardoor als in het ongelijk gestelde partij kon worden beschouwd zonder nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de oorspronkelijke afwijzing. De zaak werd vernietigd voor zover het arrest de moeder in proceskosten veroordeelde en verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

De procedure illustreert het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij niet-ontvankelijkheid en de noodzaak om kostenveroordelingen te baseren op een inhoudelijke beoordeling van de oorspronkelijke vordering.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover het de proceskostenveroordeling betreft en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek.

Conclusie

Rolnummer C 98/249 HR Mr. Bakels
Zitting 22 oktober 1999 Conclusie inzake
(bij vervroeging)
[de moeder]
t e g e n
DE STICHTING JEUGDZORG
(niet verschenen)
Edelhoogachtbaar college,
1. Feiten en procesverloop
1.1 Het gaat in dit kort geding, waarin [de moeder] in hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens gebrek aan belang ten gevolge van tussentijds gewijzigd omstandigheden, om de vraag of het hof haar op die grond mocht veroordelen in de gedingkosten, dan wel had behoren te onderzoeken of de door [de moeder] nagestreefde voorzieningen in eerste instantie terecht waren geweigerd.
1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.
(a) [De moeder] is de moeder van de minderjarige [dochter], geboren op 18 april 1985. [De moeder] heeft het ouderlijk gezag over [de dochter].
(b) Op grond van de verdenking dat [de moeder] [de dochter] geregeld mishandelde, is laatstgenoemde bij beschikking van de kinderrechter te 's-Gravenhage van 2 november 1994 voorlopig onder toezicht gesteld. De rechtsvoorgangster van Jeugdzorg is tot gezinsvoogdes benoemd. Tevens werd [de dochter] uit huis geplaatst.
(c) Bij beschikking van de voornoemde kinderrechter van 13 december 1994 hebben de voormelde ondertoezichtstelling en voogdij een definitief karakter gekregen.
(d) Bij beschikking van voornoemde kinderrechter van 5 december 1995 is de termijn van ondertoezichtstelling van [de dochter] met een jaar verlengd, evenals de machtiging tot haar uithuisplaatsing.
(e) Bij beschikking van voornoemde kinderrechter van 10 december 1996 is het verzoek van Jeugdzorg tot verdere verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen en het verzoek van [de moeder] tot opheffing daarvan toegewezen, nadat [de dochter] na een weekendbezoek op 30 augustus 1996 bij [de moeder] is gebleven en niet is teruggekeerd naar het pleeggezin waarin zij toen verbleef. Deze beschikking is bekrachtigd door het gerechtshof te 's-Gravenhage op 10 september 1997.
1.3 Tegen de achtergrond van de onder (a)-(d) vermelde vaststaande feiten heeft [de moeder] op 11 december 1995 Jeugdzorg in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te 's-Gravenhage. Zij vorderde, kort gezegd, dat de president Jeugdzorg zou gebieden haar op een aantal specifieke punten informatie te verstrekken ten aanzien van het wel en wee van [de dochter].
1.4 Nadat Jeugdzorg tegen deze vordering gemotiveerd verweer had gevoerd, heeft de president de gevraagde voorzieningen bij vonnis van 22 december 1995 geweigerd en [de moeder] in de proceskosten veroordeeld. Aan zijn beslissing lag, samengevat weergegeven, ten grondslag dat Jeugdzorg in diverse stadia en op verschillende manieren al uitgebreide informatie over [de dochter] aan [de moeder] hééft verschaft.
1.5 Tegen deze beslissing is [de moeder] in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij voerde zes grieven tegen dat vonnis aan. Jeugdzorg heeft de grieven bestreden en heeft bovendien als voorafgaand verweer aangevoerd, dat [de moeder] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beroep. Zij heeft immers geen belang meer bij de door haar verlangde voorzieningen, aangezien [de dochter] inmiddels weer bij haar woont.
1.6 Bij arrest van 26 juni 1998 heeft het hof dit prealabele verweer gegrond geacht. Daarom heeft het [de moeder] niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep en haar tevens in de kosten van het geding in hoger beroep veroordeeld, omdat het hof oordeelde dat [de moeder] als de in het ongelijk gestelde partij diende te worden beschouwd. Bij herstelarrest van 4 september 1998 heeft het hof voorts nog een thans niet ter zake dienende correctie aangebracht in het dictum van zijn arrest van 26 juni 1998.
1.7 Tegen dit arrest is [de moeder] tijdig en onder aanvoering van één middel in cassatie gekomen. Jeugdzorg is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. [De moeder] heeft het beroep vervolgens schriftelijk doen toelichten.
2. Beoordeling van het middel
2.1 Het cassatiemiddel bestrijdt terecht niet de beslissing van het hof om [de moeder] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep te verklaren, nu haar belang bij de verlangde voorzieningen is komen te vervallen.1
2.2 Hieruit volgt echter niet, zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld, dat op die enkele grond [de moeder] mocht worden beschouwd als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij. Ook onder zodanige omstandigheden dient de appèlrechter immers te onderzoeken of de vordering in eerste instantie al dan niet terecht is afgewezen omdat daarvan afhankelijk is wie de kosten van het hoger beroep dient te dragen.2
2.3 Het middel is dus terecht voorgesteld, daar het hof is uitgegaan van onjuiste opvatting omtrent art. 56 lid Pro 1, eerste zin, Rv. De Hoge Raad kan de zaak niet zelf afdoen, omdat de voormelde vraag een nader onderzoek naar de feiten vergt.
2.4 De vraag rijst ten slotte of het middel geacht moet worden mede te klagen over de kostenveroordeling in eerste aanleg. Naar de letter kan ik dit niet in het middel lezen, maar naar de strekking ligt zo'n extensieve uitleg voor de hand. Zou deze laatste uitleg worden gevolgd, dan is het middel ook in zoverre gegrond. [de moeder] hield bij een beslissing over de door haar aangevoerde grieven immers in zoverre belang, dat (ook) de kostenveroordeling in eerste aanleg daarvan afhankelijk was.3
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de daarin uitgesproken veroordeling van [de moeder] in de proceskosten en tot verwijzing van de zaak in zoverre naar het gerechtshof te Amsterdam.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 66.
2 HR 27 april 1962, NJ 1962, 193 en HR 24 november 1995, NJ 1996, 163.
3 HR 3 september 1993, NJ 1993, 714; evenzo- in het kader van reeds geïncasseerde dwangsommen - HR 22 januari 1999, NJ 1999, 381.