ECLI:NL:PHR:2000:AA4428

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/172HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizenArt. 1 lid 3 Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizenArt. 31 Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizenArt. 426 lid 1 RvArt. 1 lid 1 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking inzake voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende motivering bevoegdheid ondertekening

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank die een voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis verleende. De Officier van Justitie had een geneeskundige verklaring overgelegd die niet door de geneesheer-directeur zelf was ondertekend, maar door een psychiater namens hem. Verzoekster betwistte de bevoegdheid van deze ondertekenaar.

De rechtbank nam aan dat de ondertekenaar gemandateerd was, maar motiveerde niet op grond waarvan deze bevoegdheid werd aangenomen. De Hoge Raad oordeelde dat dit onvoldoende is en dat de rechtbank dit had moeten motiveren, waardoor de beschikking onvoldoende gemotiveerd is en vernietigd moet worden.

De Hoge Raad overwoog verder dat mandatering van de bevoegdheid van de geneesheer-directeur tot ondertekening van de geneeskundige verklaring niet uitgesloten is, mits de geneesheer-directeur zijn verantwoordelijkheid behoudt en de mandatering niet in strijd is met de wet. De jurisprudentie die mandatering zou verbieden, ziet slechts op gevallen waarin de verklaring niet onder verantwoordelijkheid van de geneesheer-directeur werd afgegeven.

De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing. Dit arrest verduidelijkt de eisen aan de motivering van de bevoegdheid tot ondertekening van geneeskundige verklaringen in het kader van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering van de bevoegdheid van de ondertekenaar en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Conclusie

Mr. Hartkamp
nr. R99/172HR Conclusie inzake
Parket, 10 december 1999 [Verzoekster]
Edelhoogachtbaar College,
Inleiding
1) Op 23 juli 1999 heeft de Officier van Justitie in het arrondissement ’s-Hertogenbosch een vordering ingesteld bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van verzoekster tot cassatie (hierna: [verzoekster]) in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarbij heeft de Officier van Justitie een op 23 juli 1999 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring overgelegd.
De rechtbank heeft op 9 augustus 1999 [verzoekster], alsmede de behandelaar N. Schiemanck en de drie kinderen van [verzoekster] in tegenwoordigheid van de raadsman van [verzoekster] gehoord.
De rechtbank heeft de voorlopige machtiging bij beschikking van 9 augustus 1999 verleend.
[Verzoekster] heeft tegen de beschikking van de rechtbank tijdig1 cassatieberoep ingesteld.
Bespreking van het cassatiemiddel
2) Het cassatiemiddel klaagt erover dat de overgelegde geneeskundige verklaring (ten aanzien van de ondertekening daarvan door de geneesheer-directeur) niet voldoet aan de vereisten die de Wet Bijzondere opneming psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) daaraan stelt. [Verzoekster] acht onbegrijpelijk het oordeel van de rechtbank dat de geneeskundige verklaring afkomstig is van A. Beeftink, de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waar [verzoekster] verblijft,1 die [verzoekster] heeft onderzocht. Daartoe heeft [verzoekster] in cassatie aangevoerd dat:
uit de gedingstukken niet volgt dat Beeftink geneesheer-directeur is van het ziekenhuis waar [verzoekster] verblijft.
de geneeskundige verklaring ten onrechte niet is ondertekend door de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waar [verzoekster] verblijft, maar door een daartoe niet bevoegde psychiater, die [verzoekster] heeft onderzocht.
3) De Officier van Justitie heeft de vordering tot het verlenen van een voorlopige machtiging ingediend op het moment dat [verzoekster] was opgenomen krachtens een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Krachtens art. 31 Bopz Pro is in dergelijke situaties (onder andere) art. 16 Bopz Pro van overeenkomstige toepassing. Deze bepaling eist van de Officier van Justitie het overleggen van een verklaring van de geneesheer-directeur (zie voor degenen die voor de toepassing van de Wet Bopz mede als geneesheer-directeur worden beschouwd, art. 1, derde lid Wet Bopz) alsmede een behandelingsplan. Zie P.J.H. Laurs (red.), Handboek opneming en verblijf, aant. 3.2.4.e bij art. 5 Bopz Pro. In de door de Officier van Justitie overgelegde geneeskundige verklaring staat onder punt 2 vermeld dat Beeftink de geneesheer-directeur is die de verklaring afgeeft. [Verzoekster] heeft blijkens de beschikking van de rechtbank in feitelijke instanties slechts aangevoerd dat degene die de geneeskundige verklaring heeft ondertekend daartoe niet bevoegd was aangezien deze geen geneesheer-directeur is. [Verzoekster] heeft niet betwist dat Beeftink geneesheer-directeur is van het ziekenhuis waar zij verblijft. De rechtbank mocht er derhalve in haar beschikking van uit gaan dat Beeftink geneesheer-directeur is van het ziekenhuis waar [verzoekster] is opgenomen, zonder dit nader te motiveren. Vgl. Handboek opneming en verblijf, aant. 2.8. bij art. 1 Bopz Pro en HR 18 november 1994, NJ 1995, 262.
Ook in cassatie moet daarvan worden uitgegaan. In zoverre faalt het cassatiemiddel.
4) [Verzoekster] heeft - voor zover het middel beoogt daarover te klagen - hoe dan ook geen belang bij haar klacht dat zij niet door de geneesheer-directeur is onderzocht. Indien, zoals in deze zaak, een verklaring van een geneesheer-directeur is vereist, mag de geneesheer-directeur zelf als behandelend arts de betrokkene onderzoeken en de verklaring opstellen en ondertekenen, maar hij mag dit onderzoek ook aan een andere psychiater overlaten en slechts zijn handtekening onder het ingevulde formulier zetten. Zie Handboek opneming en verblijf, aant. 5.2. op art. 5 Bopz Pro; HR 1 juli 1994, NJ 1994, 719/720 en 723 m.nt. JdB onder HR 1 juli 1994, NJ 1994, 723 en HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 33.
Aangezien [verzoekster] terecht heeft opgemerkt dat de geneeskundige verklaring niet door Beeftink is ondertekend maar namens deze, gaat het thans alleen nog om de vraag of degene die de verklaring wél ondertekende, daartoe bevoegd was. Alleen dan kan de verklaring immers worden beschouwd als een verklaring van geneesheer-directeur Beeftink.
5) Allereerst dient dan de vraag te worden beantwoord of de bevoegdheid die art. 16 Bopz Pro toekent aan de geneesheer-directeur ook namens deze door een ander mag worden uitgeoefend. Mag de geneesheer-directeur zijn bevoegdheid mandateren? Het ligt voor de hand de vraag of de geneesheer-directeur zijn bevoegdheid op grond van art. 16 Bopz Pro kan mandateren naar analogie van het bestuursrecht te beoordelen. Zie Handboek opneming en verblijf, aant. 2.5. en 2.6. bij art. 1 Bopz Pro. De Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) staat mandatering toe, wanneer het wettelijk voorschrift waarin de bevoegdheid is gegeven en ook de aard van de bevoegdheid zich daar niet tegen verzetten.3
De tekst van art. 16 Bopz Pro verzet zich niet tegen mandatering. Ten aanzien van de aard van de bevoegdheid kan het volgende worden vermeld. Art. 16 Bopz Pro verleent de bevoegdheid tot het afgeven van een geneeskundige verklaring aan de geneesheer-directeur om de volgende redenen:
“De eindbeoordeling van de stoornis en de gevaarlijkheid als gevolg van de stoornis, is bij de geneesheer-directeur en niet bij de behandelend arts gelegd, omdat de eerstgenoemde de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de situatie in het ziekenhuis. Tevens wordt op deze wijze een eenduidige beoordeling per ziekenhuis bevorderd.”4
Indien de wijze waarop de bevoegdheid is gemandateerd er niet aan in de weg staat dat de geneesheer-direceur zijn verantwoordelijkheid voor de situatie in het ziekenhuis op adequate wijze invulling kan geven en een eenduidige beoordeling per ziekenhuis blijft gewaarborgd, lijkt mandatering van die bevoegdheid derhalve geoorloofd. Vgl. Handboek Algemene Wet Bestuursrecht, dl. 3, commentaar bij art. 10:3 Awb Pro, blz. 1 (Bröring); Handboek opneming en verblijf, aant. 2.6. bij art. 1 Bopz Pro.
De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat aan de verklaring als bedoeld in art. 16, eerste lid Bopz de eis moet worden gesteld dat deze door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend ten blijke van zijn instemming met en verantwoordelijkheid voor de inhoud daarvan (HR 1 juli 1994, NJ 1994, 715-723 m.nt. JdB onder 723). De Boer leidt in zijn noot onder NJ 1994, 723 uit dit oordeel af dat de Hoge Raad mandatering door de geneesheer-directeur van zijn bevoegdheid ex art. 16 Bopz Pro niet geoorloofd acht. Ik deel deze mening niet. De Hoge Raad heeft zijn oordeel geformuleerd in zaken waarin erover werd geklaagd dat de verklaring niet door de geneesheer-directeur, maar door de behandelend psychiater - in een aantal gevallen door middel van een stempel van de handtekening van de geneesheer-directeur - was ondertekend. De vraag in hoeverre de geneesheer-directeur zijn bevoegdheid door anderen onder zijn verantwoordelijkheid kan laten uitoefenen, was hier echter niet aan de orde. De Hoge Raad heeft m.i. slechts ongeoorloofd geacht dat behandelend psychiaters - al dan niet met gebruikmaking van een handtekeningstempel van de geneesheer-directeur - de verantwoordelijkheid voor de geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur overnemen; niet dat de geneesheer-directeur zijn bevoegdheid onder zijn verantwoordelijkheid door anderen laat uitoefenen.5 Deze jurisprudentie staat dus m.i. niet in de weg aan de mogelijkheid van mandatering van de bevoegdheid van de geneesheer-directeur ex art. 16 Bopz Pro.
Uit jurisprudentie blijkt voorts dat Hoge Raad wel toestaat dat een waarnemend geneesheer-directeur de verklaring ondertekent (HR 31 mei 1996, NJ 1997, 36 m.nt. JdB). Dit is echter iets anders dan mandatering, aangezien de waarnemend geneesheer-directeur niet door de geneesheer-directeur bevoegdheden krijgt toebedeeld, maar door het ziekenhuisbestuur.
6) De Hoge Raad neemt aan dat uit het besluit zelf in beginsel niet hoeft te blijken dat degene die het besluit namens het bestuursorgaan heeft ondertekend daartoe bevoegd was (HR 26 januari 1990, NJ 1990, 329 en HR 20 oktober 1992, NJ 1994, 705 m.nt. MS). Bij betwisting, zoals in casu, dient de rechter echter wel aan te geven op grond waarvan hij aanneemt dat degene die de geneeskundige verklaring ondertekende, daartoe bevoegd was (HR 18 november 1994, NJ 1995, 262, met name rov. 3.1.2). De rechtbank heeft naar aanleiding van het verweer van [verzoekster] dat degene die de geneeskundige verklaring heeft ondertekend, daartoe niet bevoegd was, overwogen dat “bij verdere navraag klaarblijkelijk de ondertekenaar is gemandateerd door de tot tekening bevoegde”. Kennelijk heeft de rechtbank onderzocht of de ondertekenaar namens de geneesheer-directeur de geneeskundige verklaring mocht ondertekenen. De rechtbank heeft echter niet aangegeven op grond waarvan zij kon aannemen dat degene die de verklaring ondertekende daartoe bevoegd was. Dit had zij, gezien het verweer van [verzoekster] op dit punt, wel moeten doen. De beschikking is derhalve onvoldoende gemotiveerd. In zoverre slaagt het cassatiemiddel.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(Advocaat-Generaal)
De termijn is twee maanden (artikel 426, eerste lid Rv.). Deze liep af op 9 oktober 1999, een zaterdag, zodat deze ingevolge artikel 1, eerste lid Algemene termijnenwet is verlengd tot en met maandag 11 oktober 1999.
2 Het Carolus-Liduina Ziekenhuis. De in eerste aanleg met betrekking tot het Ziekenhuis Reinier van Arkel overgelegde stukken zijn dus irrelevant.
3 Zie hoofdstuk 10 van de AWB, in werking getreden op 1 januari 1998. Dit hoofdstuk van de AWB was voornamelijk een kwestie van codificatie van de literatuur en heersende jurisprudentie; zie Handboek Algemene Wet Bestuursrecht, dl. 3, commentaar bij hoofdstuk 10 AWB, Inleiding, blz. 4 (Bröring).
4 Nadere memorie van antwoord, TK 1979/1980, 11 270, nr, 12, blz, 43, onder meer geciteerd in HR 1 juli 1994, NJ 1994, 715-723, m. nt. JdB onder 723.
5 Zie art. 10:2 Awb Pro: een door een gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit geldt als een besluit van mandaatgever; Handboek opneming en verblijf, aant. 2.5. en 2.6. bij art. 1 Bopz Pro.