Verzoekster werd door het hof vrijgesproken van het handelen in strijd met art. 7 vanPro de Vogelwet 1936, omdat het hof oordeelde dat de Vogelrichtlijn niet van toepassing was op buiten het Europese grondgebied legaal gedode ondersoorten die niet in Europa voorkomen.
De procureur-generaal stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de Vogelrichtlijn en de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie verkeerd had uitgelegd. De Passer montanus saturatus, een ondersoort van de in Europa in het wild levende soort Passer montanus, valt wel onder de bescherming van de Vogelwet 1936.
Het hof had onvoldoende rekening gehouden met de nationale regelgeving en de toelichting bij het Vogelbesluit 1994, waarin ook ondersoorten worden beschermd, ongeacht of zij in Europa voorkomen. De vrijspraak berustte daarom op een onjuiste rechtsopvatting.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ontvankelijk en gegrond, vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling. Het verweerschrift van verzoekster werd inhoudelijk besproken maar verworpen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een juiste uitleg van beschermde vogelsoorten in het kader van de Vogelwet 1936 en de Vogelrichtlijn, en bevestigt dat ook ondersoorten van in Europa voorkomende vogels beschermd zijn, ongeacht hun geografische voorkomen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.
Conclusie
Mr Jörg
Nr. 112.622 E Conclusie inzake:
Parket 30 november 1999 Toko Cheung Kong B.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoekster bij
arrest van 18 december 1998 vrijgesproken van het haar
tenlastegelegde handelen in strijd met art. 7 vanPro de Vogelwet
1936.
2. De procureur-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest
beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep is tegengesproken door
mr J.A. Huijgen, advocaat te 's-Gravenhage.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep (I)
3. De procureur-generaal heeft op 31 december 1998 beroep in
cassatie ingesteld. Ingevolge art. 433, eerste lid (oud)<(1) Dit artikel is gewijzigd bij de wet van 1 oktober
1998 tot wijziging van het Wetboek van
Strafvordering, de Uitleveringswet, de Wet
economische delicten en de Wet overdracht
tenuitvoerlegging strafvonnissen betreffende de
bepalingen aangaande de procedure in cassatie in
strafzaken, herzieningszaken, uitleveringszaken en
zaken in het kader van de Wet overdracht
tenuitvoerlegging strafvonnissen die op 1 juni 1999
in werking is getreden. Ingevolge art. VII van die
wet is deze wijziging niet van toepassing op zaken
waarin op het moment van inwerkingtreding van die wet
de stukken van het geding reeds bij de griffier van
de Hoge Raad zijn ingekomen. In de onderhavige zaak
zijn de stukken ingekomen op 31 maart 1999.
>, Sv
diende dit beroep binnen een maand te worden gevolgd door een
schriftuur. Blijkens het daarop geplaatste stempel is de
schriftuur op 23 maart 1999 ter griffie van het hof ingediend.
4. Uw Raad heeft in zijn arrest van 16 april 1996, NJ 1996,
527 geoordeeld dat indien de procureur-generaal binnen de in
art. 433, eerste lid, Sv bedoelde termijn van een maand niet
kan beschikken over het proces-verbaal van de terechtzitting en
het (uitgewerkte) arrest van het hof, redelijke wetstoepassing
meebrengt dat hij nog gedurende een maand nadat vorenbedoelde
stukken te zijner beschikking zijn gekomen een schriftuur kan
indienen.
5. Uit door mij bij de strafgriffie van het hof ingewonnen
<
?
>
informatie is gebleken dat de procureur-generaal op 25 februari
1999 de beschikking heeft gekregen over het uitgewerkte proces-
verbaal van de terechtzitting en het arrest van het hof.
Daaruit volgt dat - anders dan verzoekster in haar
schriftelijke tegenspraak van het beroep van de procureur-
generaal meent - het bepaalde in art. 433, eerste lid (oud), Sv
niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg
staat.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep (II)
6. Nu het beroep zich richt tegen een vrijspraak moet, gelet op
art. 430, eerste lid, Sv, allereerst worden bepaald of de
procureur-generaal in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe
dient te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere
is dan die welke wordt bedoeld in de hierboven vermelde
wetsbepaling. Dit brengt mee dat voor het onderhavige geval
eerst moet worden beantwoord of het hof is uitgegaan van een
juiste uitleg van het in de tenlastelegging voorkomende begrip
"beschermde vogels", welk woord in de tenlastelegging kennelijk
in dezelfde betekenis is gebruikt als in art. 1, aanhef en
onder 2°, Vogelwet 1936.
7. Aan verzoekster is bij inleidende dagvaarding
tenlastegelegd, - voorzover voor de beoordeling van het middel