ECLI:NL:PHR:2000:AA4717
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vrijspraak wegens onjuiste uitleg beschermde vogels Vogelwet 1936
Verzoekster werd door het hof vrijgesproken van het handelen in strijd met art. 7 van Pro de Vogelwet 1936, omdat het hof oordeelde dat de Vogelrichtlijn niet van toepassing was op buiten het Europese grondgebied legaal gedode ondersoorten die niet in Europa voorkomen.
De procureur-generaal stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de Vogelrichtlijn en de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie verkeerd had uitgelegd. De Passer montanus saturatus, een ondersoort van de in Europa in het wild levende soort Passer montanus, valt wel onder de bescherming van de Vogelwet 1936.
Het hof had onvoldoende rekening gehouden met de nationale regelgeving en de toelichting bij het Vogelbesluit 1994, waarin ook ondersoorten worden beschermd, ongeacht of zij in Europa voorkomen. De vrijspraak berustte daarom op een onjuiste rechtsopvatting.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ontvankelijk en gegrond, vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling. Het verweerschrift van verzoekster werd inhoudelijk besproken maar verworpen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een juiste uitleg van beschermde vogelsoorten in het kader van de Vogelwet 1936 en de Vogelrichtlijn, en bevestigt dat ook ondersoorten van in Europa voorkomende vogels beschermd zijn, ongeacht hun geografische voorkomen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.