ECLI:NL:PHR:2000:AA4720
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging alimentatie wegens wangedrag door telefonische overlast na echtscheiding
Partijen zijn ex-echtgenoten, met een echtscheiding uitgesproken in 1986. De man verzocht in 1997 de alimentatie te beëindigen wegens wangedrag van de vrouw, die hem en zijn partner sinds 1995 telefonisch zou hebben lastiggevallen. De man bracht onder meer bewijs in van telefoontjes vanuit haar woning en later uit telefooncellen, opgenomen gesprekken en meldingen bij de politie.
De vrouw ontkende de overlast en stelde dat de man en zijn partner zelf de telefoontjes zouden hebben gepleegd. De rechtbank en het hof oordeelden dat het bewijs voldoende aannemelijk maakte dat de vrouw de telefonische overlast pleegde, wat een ernstig wangedrag vormde. Dit rechtvaardigde volgens hen de beëindiging van de alimentatie.
De vrouw kwam in cassatie, maar de Hoge Raad verwierp haar middelen. De Hoge Raad bevestigde dat niet-financiële omstandigheden zoals wangedrag een grond kunnen zijn voor beëindiging van alimentatie en dat de beoordeling daarvan een discretionaire bevoegdheid van de rechter is. Het hof had de maatstaf correct toegepast en het oordeel voldoende gemotiveerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het wangedrag van de vrouw een redelijke grond is om de alimentatie te beëindigen en wijst het cassatieberoep af.