4.3. Voor zover in cassatie nog van belang kwam de stellingname van de Inspecteur erop neer, dat in 1991 een bedrag van f 1.305.146 tot belanghebbendes belastbare winst moet worden gerekend omdat de afgewaardeerde rekening-courantvordering is omgezet in de achtergestelde lening. Volgens de Inspecteur had de omzetting tot gevolg dat de vordering van (naar uiteindelijk is gebleken) f 2.045.640 tot dat bedrag het karakter heeft gekregen van ofwel een zogenoemde deelnemerslening ofwel informeel kapitaal. De Inspecteur meent dat daarom een omzetting van een afgewaardeerde vordering als bedoeld in art. 13b, lid 1, Wet Vpb 1969 heeft plaatsgehad, en wel omdat de afgewaardeerde vordering is aangewend tot storting op aandelen als bedoeld in art. 13, lid 2, aanhef en sub a, Wet Vpb 1969.
Als ik het goed zie heeft de Hof de stelling van de Inspecteur voor zover inhoudend dat de rekening-courantvordering is omgezet in een deelnemerslening en dat om die reden art. 13b, lid 1 en lid 2 onderdeel b, Wet Vpb 1969 van toepassing is niet behandeld. 's Hofs uitspraak lijdt daarom aan een motiveringsgebrek. Toch behoeft dit dunkt mij niet tot cassatie te leiden.
In HR 11 maart 1998, BNB 1998/208, zijn de criteria voor de deelnemerslening geformuleerd:
"Voor de beantwoording van de vraag of in de fiscale sfeer een geldverstrekking door een schuldeiser aan een ondernemer als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is als regel de civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt uitzondering, indien de lening wordt verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deelheeft in de onderneming van de schuldenaar. Aan deze voorwaarde is slechts voldaan, indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie."
De achtergestelde lening van belanghebbende voldoet op twee punten niet aan de eisen van voornoemd arrest. In de eerste plaats is de lening renteloos; aan de geldverstrekking is dus niet een vergoeding verbonden die afhankelijk is van de winst van A. Reeds dit verhindert wellicht dat gezegd kan worden dat belanghebbende door middel van de achtergestelde lening deelneemt in A's onderneming. Belanghebbende loopt immers door de achterstelling van haar vordering weliswaar een verhoogd risico dat de uitgeleende bedragen verloren gaan door negatieve resultaten van A, maar positieve resultaten komen haar uitsluitend ten goede via haar bezit aan aandelen in A. Daartegenover staat echter dat het beding van renteloosheid mogelijk voortkomt uit de vennootschappelijke betrekking tussen belanghebbende en A en een toetsing aan het "at arm's length" beginsel wellicht niet doorstaat. Denkbaar is dat zonder het bestaan van de vennootschappelijke betrekking belanghebbende als crediteur van A wel een winstafhankelijke vergoeding had bedongen. Daarom valt mijns inziens te verdedigen dat de renteloosheid van de lening in het onderhavige geval niet behoeft te verhinderen dat sprake is van een deelnemerslening.
Wat van de voorgaande kwestie ook zij, in de tweede plaats valt uit de gedingstukken niet op te maken dat de achtergestelde vordering van belanghebbende op A slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie van de Belgische vennootschap. Met name de Inspecteur - die naar mijn mening op dit punt de bewijslast draagt3 - heeft zulks niet gesteld. Er staat alleen vast dat geen aflossingsschema is overeengekomen en dat de opeisbaarheid van de vordering niet afhankelijk is van het herstel van de onderneming van A. Een en ander laat de mogelijkheid open dat belanghebbende - met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid - bevoegd is de lening op te zeggen en het uitgeleende bedrag op te vorderen voordat het tot een faillissement, surséance of liquidatie van A is gekomen.
Kortom, de stelling van de Inspecteur dat de rekening-courantvordering is omgezet in een deelnemerslening had het Hof slechts kunnen verwerpen.