ECLI:NL:PHR:2000:AA4767
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebondenheid niet-procespartij aan rechterlijke uitspraak en goede procesorde in familierechtelijke procedure
De zaak betreft de vraag of een niet-procespartij gebonden kan worden aan een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, op grond van een goede procesorde. De procedure speelt in het kader van een geschil over de nietigverklaring van een huwelijk wegens geestelijke stoornis van de overledene ten tijde van de huwelijkssluiting.
De rechtbank verklaarde de vordering van een neef van de overledene ontvankelijk en deed op enkele punten uitspraak, waarna het hof deze beschikking vernietigde en de vordering niet-ontvankelijk verklaarde. De neef stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad overweegt dat het gezag van gewijsde in beginsel alleen geldt tussen procespartijen, met enkele wettelijke en jurisprudentiële uitzonderingen, zoals vertegenwoordigers of deelgenoten in een gemeenschap.
Het hof had de gebondenheid van de neef aan het arrest van de neven gebaseerd op een vermeende bekrachtiging of toetreding tot het geding, mede vanwege het intrekken van een derdenverzet. De Hoge Raad verwierp dit, stellende dat het derdenverzet een buitengewoon rechtsmiddel is en het intrekken ervan niet kan worden opgevat als bekrachtiging of toetreding. Ook was er geen sprake van een reeds bestaande gemeenschap die gebonden kon zijn.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank, waarbij het belang van efficiënte procesvoering werd benadrukt en de rechtbank werd opgedragen de zaak voortvarend af te handelen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank, waardoor de neef ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoek.