ECLI:NL:PHR:2000:AA4779
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over matiging boetebeding bij discrepantie tussen boete en schade
In deze zaak sloten partijen in 1990 een overeenkomst waarbij eiser zich verbond geen concurrerende producten te verkopen onder dreiging van een boete van ¦ 25.000,- per overtreding. Eiser verkocht echter lieslaarzen aan de provincie Utrecht, wat door verweerster als overtreding werd aangemerkt. De rechtbank kende de boete toe zonder matiging, ondanks het geringe financiële belang van de overtreding.
Eiser stelde dat de boete buitensporig was in verhouding tot de geleden schade, die slechts enkele honderden guldens bedroeg. Hij voerde aan dat ook verweerster haar contractuele verplichtingen onvoldoende was nagekomen en dat de boete daarom gematigd moest worden. Het hof bevestigde echter de beslissing van de rechtbank zonder nadere motivering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de klacht van eiser over de disproportionaliteit tussen boete en schade niet zonder nadere motivering had mogen passeren. De Hoge Raad benadrukt dat bij een hoge boete en onduidelijke omstandigheden de motiveringsplicht van de feitenrechter extra geldt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere motivering over de matiging van de boete.