ECLI:NL:PHR:2000:AA4780
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aanspraak erfgenaam op afkoop pensioenvoorziening na overlijden bestuurder
De zaak betreft een geschil over een pensioenafkoopregeling tussen een bestuurder van een B.V. en de vennootschap, waarbij na het overlijden van de bestuurder de erfgenaam aanspraak maakt op een bedrag van fl 400.000,-. Deze regeling was onderdeel van een overeenkomst tussen de bestuurder en zijn broer, die tevens mede-aandeelhouder was.
De rechtbank wees de vorderingen van de erfgenaam af, onder meer omdat zij niet gehuwd was met de overledene en de pensioenregeling in eigen beheer was gehouden. Het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat het bedrag van fl 400.000,- bruto beloning was en toekwam aan de erfgenaam, en legde een dwangsom op aan de broer om betaling te bewerkstelligen.
In cassatie werden meerdere klachten ingebracht, onder meer over de uitleg van de overeenkomst, de fiscale aspecten en de aansprakelijkheid van de broer. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de aanspraak op het bedrag tot het vermogen van de overledene behoorde en was overgegaan op de erfgenaam. Ook werd geoordeeld dat de broer als bestuurder de verplichting had om betaling te bewerkstelligen en dat de opschorting van de levering van aandelen door de erfgenaam gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad benadrukte dat de kwestie omtrent de toepassing van de Pensioen- en spaarfondsenwet niet in cassatie kan worden beoordeeld zonder nadere feiten en dat het beroep daarop in deze procedure niet ontvankelijk is. De kosten van buitengerechtelijke incasso werden eveneens toegewezen aan de erfgenaam.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en de veroordelingen tot betaling aan de erfgenaam worden gehandhaafd.